Een vernieuwd werkgelegenheidsbeleid?

 

Een evaluatie van het Belgisch en het Vlaams Regeerakkoord.

 

Onder de vlag "de brug naar de XXIste eeuw" opteert de nieuwe federale regering resoluut voor een vernieuwde actieve welvaartstaat.  Het beleid van de vorige regering wordt resoluut afgeschoten: "de huidige aanpak", zo luidt het, "biedt zowel financieel als sociaal onvoldoende perspectieven".  Dus anders en beter.  Vernieuwing luidt de boodschap.  Dezelfde toon vinden we in het regeerakkoord van de Vlaamse Regering.  "Een nieuw project voor Vlaanderen" en een trendbreuk worden aangekondigd.  Ook op stuk van de tewerkstelling.

 

"In het verleden", zo lezen we in het federaal regeerakkoord" werd teveel de nadruk gelegd op een passieve benadering. Daarbij werden kansarmoede en bestaansonzekerheid vooral bestreden met werkloosheids‑ en OCMW, uitkeringen. Het waarborgen van uitkeringen alleen, in het bijzonder wanneer deze laag zijn, is niet voldoende om de geholpen personen zich volwaardig burgers te laten voelen".   Het wordt anders.  Want "de actieve welvaartstaat investeert in mensen, in opleiding, in werk en niet enkel en alleen in uitkeringen".

 

Een analyse van beide akkoorden toont vooreerst duidelijk aan dat beide op elkaar zijn afgestemd.

 

Beide akkoorden vertrekken van een pro-actief beleid met het doel de werkgelegenheidsgraad op te trekken.  De Vlaamse Regering plakt er een cijfer op tot en met 65 %, wat betekent dat er in Vlaanderen 150.000 nieuwe banen dienen gecreŽerd te worden in de volgende 5 jaar. 

 

Beide regeringen mikken hoofdzakelijk op de zwakkeren in de duale arbeidsmarkt: de laaggeschoolden - jong en oud -,  langdurige werklozen (B), 50 plussers (B), zwartwerkers (B).

 

Middelen daartoe zijn:

*  de daling van de loonkost (B-VL)

*  lagere sociale zekerheidsbijdragen

*  Maribel omhoog;

*  activering van sociale uitkeringen

*  in het kader van startbanen (B-VL);

*  stijging van het netto inkomen (B-VL) ter bestrijding van de werkloosheidsval;

* verbeteren statuut deeltijdsen (B);

*  opleiding en bemiddeling (B-VL);

*  15. 000 jobs in de non-profit sector (VL);

*  banen met overheidsgeld (VL)

*  kosteloze kinderopvang (VL);

*  gratis openbaar vervoer (VL)

*  PWA-activering (B);

* dienstencheques (B-VL).

 

Voor alle werknemers is er:

*  een verhoging van de Maribel (B);

*  een forfaitaire vermindering van de van de jaarlijkse loonkost met 32.000 BEF (B);

*  het ter beschikkingstellen van de werknemers (B);

*  privť-bemiddeling aanzwengelen (VL). 

 

Kortom, het middel ter verhoging van de werkzaamheidgraad in beide regeerakkoorden is bij uitstek de verlaging van de kostprijs van de arbeid van laaggeschoolden. 

 

Komen eveneens aan bod  de arbeidsduurvermindering, die vrijwillig (B-VL) en kostenneutraal dient te zijn.  Een vierdagenweek wordt aangemoedigd door financiŽle prikkels, de 1/5 de loopbaanonderbreking; annualisering van de arbeidstijd, verlofformules, zoals de vrije woensdagmiddag (B).

 

Belangrijk is de optie inzake de financiŽle participatie van werknemers in de resultaten van de onderneming.  Hier hebben de vakbonden een vinger in de pap: er moet immers een CAO komen en de uitgewerkte regeling moet gelden voor alle werknemers.

 

Wanneer we dit vergelijken met het Belgische actieplan, uitgaande van de voorgaande Regering (wet van 30 april 1999), als antwoord op de Europese richtsnoeren inzake werkgelegenheid, dan moet we vaststellen dat de vorige regering  zich eveneens hoofdzakelijk richtte tot de zwakkeren op de arbeidsmarkt met stages der jongeren,  het voordelenbaanplan (verlaging loonkost), verlaging van de sociale lasten,  Maribel; plan 1+2+3+,  PWA's etc. Ook hier zijn het de zwakkeren en verlaging van de loonkost, die worden beoogd.

 

De regeerakkoorden van de nieuwe Belgische en Vlaamse regeringen bevatten op het stuk van de werkgelegenheid geen trendbreuk.  Wel zijn er hier en daar andere accenten, maar niets fundamenteel is gewijzigd.

 

Het beleid is hoofdzakelijk gericht op laaggeschoolde werknemers en dit door de loonlast te verlagen en/of het netto inkomen van de betrokkenen te verhogen, door begeleiding en vorming.  In die mate verschilt het weinig of niet van het beleid van de vorige regering en zal het hetzelfde resultaat kennen. 

 

Positief is wel het feit dat er meer flexibiliteit komt op het stuk van ter beschikkingstelling van personeel, het aanzwengelen van het privť-initiatief op de arbeidsmarkt.  Er zal werk gemaakt worden van Vlaamse collectieve arbeidsovereenkomsten.  Maar alles tezamen zijn  dit maar geen wereldschokkende punten. 

 

De fundamentele wijzigingen op de arbeidsmarkt en van de arbeidsverhouding krijgen in de regeerakkoorden onvoldoende aandacht. Het arbeidsrecht wordt niet gemoderniseerd.  De werknemer blijft juridisch en sociaal een uitvoerende kracht in ondergeschikt verband daar waar de kenniswerknemer in een open relatie staat tot zijn werkgever en een aangepast, "open statuut" verdient.  De segmentering van de arbeidsmarkten en van de werkers in zelfstandigen, werklieden en bedienden en ambtenaren blijft aangehouden.  De loonkost blijft te hoog.  De discriminatie werkman-bediende blijft wat ze was.  Idem wat de leeftijd betreft: de ouderen moet eruit!  Wat een verlies aan ervaring.  Vooral op het stuk van de financiŽle participatie schiet het regeerakkoord schromelijk te kort. 

 

Ongetwijfeld was het moeilijk met zes partijen een meer progressief beleid te formuleren.  Spectaculaire wijzigingen op het stuk van het arbeidsrecht zijn er niet te verwachten.  Business as usual.

 

Prof. Roger Blanpain, KULeuven en Tilburg.

 

Standpunten