Naar aanleiding van de 100ste verjaardag van de wet van 10 maart 1900 betreffende de arbeidsovereenkomst voor werklieden

 

PETITIE

 

Afschaffing van het onderscheid werkman – bediende

 

Reeds in 1960, ter gelegenheid van een Rerum Novarum te Leuven, zei Theo Lefèvre, toenmalig voorzitter van de CVP, dat het "onderscheid tussen het arbeids- en het bediendencontract" diende opgegeven te worden.  "Dit onderscheid", zo stelde hij, "is kunstmatig geworden en bovendien onrechtvaardig, inzoverre het hoegenaamd niet overeenstemt met de waarden-hierärchie van de vervulde functies.  Het aanzienlijke verschil tussen de twee statuten blijkt bijgevolg onrechtvaardig.  Het is bovendien nog noodlottig voor het streven naar een maximum-produktiviteit, en ook gevaarlijk op het ogenblik dat we kosteloze studiën invoeren tot 18 jaar.  De kloof tussen de twee statuten dreigt een rampspoedige aangroei mee te slepen van kandidaat-bedienden, ten nadele van de arbeiderskwalificatie". 

 

Ongetwijfeld is het onderscheid werkman-bediende historisch te verklaren.  De werkman van weleer was door de band een ongeletterde, die bevelen uitvoerde en handenarbeid verrichtte.  De eerste wet op de arbeidsovereenkomst voor werklieden dateert dan ook van 1900.  De bedienden konden wel lezen en schrijven.  Zij waren de rechterhand van de “patroon”.  De bediendenwet dateert van 1922.  Hij was heel wat voordeliger dan deze van de werklieden.

 

Sindsdien hebben technologische evolutie en doorgedreven automatisering de taak van de arbeider grondig veranderd.  Toch blijven we het onderscheid “handenarbeid” en “geestesarbeid” meesleuren, alhoewel de wet op de arbeidsovereenkomsten herhaaldelijk werd gewijzigd en het onderscheid voortdurend aangeklaagd. 

 

Het hoeft trouwens geen betoog dat dit wettelijk onderscheid in de praktijk niet langer toe te passen is.  We leven in een kennismaatschappij. Iedereen dient na te denken en hoofd- en handenarbeid zijn niet meer te scheiden.  De rechtsonzekerheid die hierdoor ontstaat, stelt de rechtsspraak voor een onmogelijke opgave.

 

Er is evenwel meer dan dat.  Het onderscheid belet de werkman voluit deel te nemen aan het bedrijfsgebeuren. De toegevoegde economische waarde, vandaag en morgen, ligt hem in het verzamelen, het manipuleren en pro-actief aanwenden en toepassen van kennis.  Permante vorming is de boodschap.  Elke werknemer, arbeider en bediende, moet de kans te krijgen en worden aangemoedigd om hier aan deel te nemen.  De arbeider wordt echter in zijn kooi gehouden en sociaal en maatschappelijk in een tweederangsrol vastgepind.  Uitzonderingen bevestigen de regel.

 

De huidige maatschappij kan niet optimaal blijven functioneren wanneer aan 50 % van zijn werknemers de label van "niet nadenkende uitvoerder" kleeft.  Er is inzicht en creativiteit nodig op alle niveaus. 

 

En dan maar klagen dat de wacht van de “stielmannen” niet wordt afgelost; dat ouders niet wensen hun kinderen een toffe stiel te laten leren…. omdat de stempel van “werkman” er op staat.  Het onderscheid werkman-bediende is meteen maatschappelijk pervers en staat haaks op de informatiemaatschappij.

 

Het onderscheid werkman-bediende is en blijft een ongerechtvaardigde discriminatie.

 

De wetgever dient het onderscheid binnen een periode van 5 jaar af te schaffen en een globaal statuut voor de werknemers uit te werken, zonder discriminaties.

 

Professor Roger Blanpain,                               Bob Meert

Lid van de Koninklijke Vlaamse Academie        Gewezen Arbeider & Senior Officer Human Resources Management

       

Enkele historische gegevens

 

Home Page