Wetsvoorstel betreffende het statuut van de werknemer en de afschaffing
van het onderscheid tussen werkman en bediende
(ingediend
door de heren Vincent Van Quickenborne en Jean-Marie Dedecker)
Het
onderscheid tussen arbeiders en bedienden is in België historisch gegroeid. De
arbeiders verkregen door de wet van 10 maart 1900, na een lange sociale strijd
een minimale wettelijke bescherming. Deze wet op de arbeidsovereenkomsten
voorzag in een grotendeels suppletieve bescherming voor de werklieden. De wet
bevatte geen definitie van werkman, wel stelde deze wet dat het ging om arbeid
onder leiding, gezag en toezicht, tegen betaling.
De
kritiek op het onderscheid tussen werklieden en bedienden werd er niet minder
om. Zo zei in 1960 de toenmalige CVP-voorzitter Theo Lefèvre, ter gelegenheid
van een Rerum Novarum te Leuven: "Het
onderscheid tussen het arbeiders- en het bediendecontract moet worden opgeheven,
omdat het kunstmatig en bovendien onrechtvaardig is geworden."
De
wet van 1978 kwam echter niet tegemoet aan de normale eis van een gelijke
behandeling van werklieden en bedienden, alhoewel stappen in die richting werden
gezet.
interprofessionele onderhandelingen van 2001-2002 kwamen de sociale
partners tot een
akkoord om tegen eind 2001 een rapport uit te brengen over het
eenheidsstatuut in de
Nationale Arbeidsraad (NAR). Over een periode van vijf jaar, dus tegen
het jaareinde van
2006 zou het eenheidsstatuut een realiteit zijn.
kalender geschoven.
2
Maatschappelijke
en technologische evolutie: het achterhaalde onderscheid tussen intellectuele of
manuele arbeidsprestaties
De
wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomst definieert de begrippen
arbeider en bediende niet. Zij onderscheidt beide op basis van één enkel
criterium: het al dan niet manuele of intellectuele karakter van de verrichte
arbeid.[4]
Reeds
in 1910 wees Kamerlid M. Dennis erop dat de tegenstelling tussen intellectuele
arbeid en fysieke arbeid achterhaald was.[5]
Hij
verwees tijdens zijn tussenkomst ondermeer naar M. Buyse die een onderzoek
verrichtte naar het professioneel onderwijs in de Verenigde Staten. Deze auteur
schreef over de arbeid die wordt verricht door de moderne arbeider: “De Amerikaanse arbeider is het prototype van de arbeider van de
toekomst, hij is een opgeleid man; de arbeider van het verleden, wiens kennis
beperkt was tot recepten, procédés, handigheden en beroepsknepen is sinds lang
voorbijgestreefd in de moderne fabrieken van de nieuwe wereld. Allen realiseren
de “Labor saving”, de
economie van de grote schaal, door het aanwenden van geperfectioneerde machines;
het intelligent aanwenden van deze machines vereist meer hersenen dan
spierkracht; meer aandacht, snelle besluitvorming dan fysieke kracht”
M. Dennis besloot : “Ziehier
de arbeider van de toekomst: het zal de geest zijn die de materie beheerst.”
Technologische
innovaties maken het gedeeltelijk mogelijk zwaar fysiek en vuil werk uit te
sluiten of de omvang ervan gevoelig te verminderen. Het manueel hanteren van
technisch hoogwaardige apparatuur vereist steeds meer een intellectuele inbreng.
De
rechtsleer stelt hieromtrent : “Het leger der ongeschoolden is gedecimeerd. De
werknemers in hun totaliteit genieten een langere schoolse opvoeding en een
hogere graad van opleiding. Een
aantal werknemers dat traditioneel ontegensprekelijk als bedienden wordt
beschouwd, verricht daarentegen arbeid die een steeds meer repetitief karakter
vertont en intellectueel minder stimulerend is. Het onderscheid wordt mede om
die reden bijna onmogelijk en wordt daarom ook als verouderd en voorbijgestreefd
ervaren.”.[6]
Buiten
Griekenland hebben de andere landen van de EU dit onderscheid uit het vroeg
industriële tijdperk afgeschaft. De repetitieve arbeid maakt immers geen deel
meer uit van de postindustriële samenleving.
In
punt 5 zullen wij verder ingaan op de kritiek van de rechtspraak op dit
onderscheid.
3
Wettelijke
verschillen in de statuten van werklieden en bedienden
3.1.
individueel arbeidsrecht
3.1.1.
Proefbeding[7]
De
minimumduur van de proef bedraagt 7 dagen (arbeiders) of 1 maand (bedienden).
Indien er niets bepaald wordt, is de duur gelijk aan de minimumduur.
De
maximumduur bedraagt 14 dagen (arbeiders) of 6 of 12 maanden (bedienden)
(afhankelijk van het loon).
Gedurende
de schorsing wordt de duur van de proef verlengd met de schorsingsperiodes (met
een maximum van 7 dagen voor de werkman).
Ontslag
: er moet geen opzeggingstermijn in acht worden genomen bij het ontslag van
werklieden tijdens de proefperiode na de minimumduur.
De
opzeggingstermijn bedraagt zeven dagen bij bedienden, ten vroegste samenvallend
met het einde van de eerste maand (geen opzeggingstermijn bij
arbeidsongeschiktheid na zeven dagen).
3.1.2.
Loonwaarborg bij arbeidsongeschiktheid, de carensdag
Bij
arbeidsongeschiktheid die geen veertien dagen duurt, wordt de werkman, in
tegenstelling tot de bediende, voor de eerste dag niet bezoldigd.
Dit
is de “carensdag”. De bedoeling van deze carensdag is misbruiken tegen te
gaan. In uitvoering van de wet van 13 juni 1999 betreffende de
controlegeneeskunde wordt er gewerkt aan een betere regeling voor de controle
van de arbeidsongeschiktheid. Aldus wordt het hoog tijd dit denigrerend en
overbodig onderscheid onmiddellijk af te schaffen. Eens te meer grijpen de
sociale partners hier terug naar de Griekse kalender Het afschaffen van de
carensdag zou worden opgenomen in het sectoraal overleg van 2003-2004, en zou
pas nadien (wanneer?) worden veralgemeend, aldus een laconieke mededeling van de
onderhandelaars van de sociale partners van 19 februari jongstleden. Aldus voert
men een (tijdelijke?) discriminatie in tussen die arbeiders die in een sector
zitten waar dit principe zal worden aanvaard en die arbeiders die de pech hebben
in een andere sector te zijn tewerkgesteld.
3.1.3.
Opzeggingstermijnen
Het
is op dit punt dat de grootste verschilpunten bestaan[8].
a)
Begin: bij werklieden vangt de opzeggingstermijn aan
op de eerste maandag na betekening, bij bedienden op de eerste dag van de
volgende maand.
b)
Duur: bij werklieden 28 dagen wanneer de opzegging
uitgaat van de werkgever en 14 dagen wanneer de opzegging uitgaat van de
werkman. 56 dagen als de werkman gedurende twintig jaar ononderbroken bij
dezelfde werkgever in dienst is gebleven, wanneer de opzegging uitgaat van de
werkgever en 28 dagen wanneer de opzegging uitgaat van de werkman. Voor een
werkman met minder dan 6 maanden dienst kan de termijn verlaagd worden tot zeven
dagen. Wel werd bij CAO nr.75 van 20 december 1999 de termijnen voor werklieden,
aangevuld, opgetrokken tot:
-
minder dan 6 maanden: 28 dagen
-
6 maanden tot 5 jaar: 35 dagen
-
5 tot 10 jaar: 42 dagen
-
10 tot 15 jaar: 56 dagen
-
15 tot 20 jaar: 84 dagen
-
meer dan 20 jaar: 112 dagen
Recentelijk
zijn twijfels geuit over de rechtsgeldigheid van de CAO nr. 75. Volgens L.
Peltzer en S. Van Wassenhove zouden de sociale partners niet bevoegd zijn om bij
CAO de opzeggingstermijnen voor arbeiders te verlengen[9].
Tevens
is de praktische draagwijdte van de CAO nr. 75 eerder beperkt. De CAO nr. 75 is
immers niet van toepassing wanneer binnen een bepaalde beroepssector reeds een
regeling inzake opzeggingstermijnen voor arbeiders bestaat. Daarbij is het niet
vereist dat deze sectorale regeling hogere opzeggingstermijnen vastlegt dan de
CAO nr. 75.
Bij
de “lagere” bedienden (jaarloon niet hoger dan 25.277 euro) geldt een
opzeggingstermijn van drie maanden per begonnen anciënniteitperiode van vijf
jaar, indien de opzeg uitgaat van de werkgever. Gaat de opzeg uit van de
bediende, is het de helft daarvan met een maximum van 4,5 maanden.
Bij
“hogere” bedienden wordt de opzeggingstermijn vastgelegd bij overeenkomst,
die wordt gesloten ten vroegste bij of na de opzegging, zo niet door de rechter.
Echter,
-
voor de werkgever, minstens drie maanden voor elke begonnen periode van
5 jaar dienst;
-
voor de bediende maximum 6 maanden.
Voor
indiensttreding na 1 april 1994, en
zo het jaarloon de 50.554 euro overschrijdt, kan op het moment van de
indiensttreding de door de werkgever in acht te nemen opzeggingstermijn
vastgesteld worden bij overeenkomst zonder evenwel korter te mogen zijn dan drie
maanden per begonnen schijf van vijf jaar dienst.
c)
Pensionering: hier
gelden enkel bepalingen voor bedienden[10].
-
Bedienden met minder dan 5 jaar dienst: 3 maanden voor de werkgever, 1,5
voor de bediende.
-
Bediende met minstens 5 jaar dienst: 6 maanden voor de werkgever, 3
maanden voor de bediende.
d)
Afwezigheid
om een nieuwe dienstbetrekking te zoeken :
-
voor de werkman maximum één arbeidsdag per week;
-
voor de “lagere” bediende geldt dezelfde regeling; voor de
“hogere” bediende bedraagt deze een arbeidsdag per week gedurende de laatste
zes maanden van de opzeggingstermijn, in de periode daarvoor slechts een halve
dag.
e)
Willekeurig
ontslag:
de regeling voor willekeurig ontslag geldt enkel voor werklieden in geval van
een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde duur. In geval van willekeurig ontslag
geldt er een forfaitaire schadevergoeding van zes maanden loon. Een dergelijke
wettelijke regeling bestaat niet voor bedienden. Eventueel kan de bediende
beroep doen op de figuur van het rechtsmisbruik. De wet op de
arbeidsovereenkomst houdt uitdrukkelijk een omkering in van de bewijslast in het
geval dat de werkman het ontslag als willekeurig beschouwt. Voor de bediende die
beroep wil doen op de figuur van rechtsmisbruik, dient hij de bewijzen aan te
voeren.
f)
Tegenopzegging:
ook hier gelden enkel bepalingen voor bedienden. De opzeggingstermijn door
bedienden bedraagt één, twee of vier maanden naargelang de hoogte van het
jaarloon.
3.1.4.
Jaarlijkse vakantie
Bij
werklieden wordt de duur geregeld bij K.B. Bedienden hebben recht op twee
vakantiedagen per maand in het vakantiejaar. Het vakantiegeld wordt bij
werklieden betaald door de vakantiekassen, bij bedienden door de werkgever.
3.1.5.
Schorsing van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst wegens gebrek aan werk,
slecht weer of een technische stoornis.
De
schorsing van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst wegens een technische
stoornis in een onderneming wordt geregeld door artikel 49 van de wet van 3 juli
1978[11].
Deze regeling geldt alleen voor werklieden. Hetzelfde geldt voor de schorsing
wegens het gebrek aan werk wegens economische oorzaken. Ook het slechte weer kan
een oorzaak van schorsing zijn. De ontstentenis van een wettelijke regeling die
op bedienden van toepassing zou zijn, betekent dat de werkgever slechts de
uitvoering van de arbeidsovereenkomst kan schorsen bij tijdelijke overmacht.
3.1.6.
Tijdstip van de uitbetaling van het loon
Werklieden
dienen minstens tweemaal in de maand betaald te worden, met een tussenpoos van
ten hoogste 16 dagen. De bedienden dienen minstens om de maand betaald te
worden.
3.1.7.
Concurrentiebeding
Het
afwijkingsbeding is enkel mogelijk voor bedienden, wanneer de onderneming
a)
een internationaal actieveld heeft of belangrijke economische, technische
of financiële belangen heeft op internationale markten; en
b)
over een eigen dienst voor onderzoek beschikt.
In
een dergelijk geval mag van de normale regels afgeweken worden voor wat de duur
van het beding en het geografische toepassingsgebied betreft.
3.1.8.
Vervoerskosten
Voor
de terugbetaling van de vervoerskosten geldt er voor de bedienden een loongrens,
voor de werklieden echter niet.
3.2.
Collectief arbeidsrecht
3.2.1.
Op het vlak van de onderneming
Voor
de ondernemingsraad en het comité voor preventie en bescherming op het werk
zijn er aparte verkiezingen en vertegenwoordigers van respectievelijk de
arbeiders en de bedienden.
Zowel
het ACV als het ABVV hebben aparte organisaties voor de bedienden. Hoewel de
vakorganisaties voornamelijk sectorieel zijn uitgebouwd, beschouwen beide
organisaties de bedienden als een apart te organiseren groep. Alleen het ACLVB
heeft het onderscheid tussen de werkman en de bediende niet in zijn structuren
ingebouwd.
3.2.2.
Op het vlak van de bedrijfstak
De
Koning kan hier paritaire comités oprichten, die enkel gelden voor werklieden
of voor bedienden of voor bedienden en werklieden.
3.3.
Gerechtelijk recht
Ook
met betrekking tot de samenstelling van de arbeidsrechtbanken en arbeidshoven
wordt de tweedeling werkman/bediende doorgevoerd[12].
Voor sommige geschillen moet de werknemerrechter (en raadsheer) in sociale zaken
benoemd zijn als arbeider of als bediende.
4
Sociale,
economische en maatschappelijke gevolgen van dit onderscheid
4.1.
De Berlijnse muur rond het arbeidersstatuut[13]
Er
zijn in België 1.140.000 arbeiders en 1.200.000 bedienden[14].
De ommekeer in de verhouding houdt rechtstreeks verband met de tertiërisering
van de economie: meer dienstenjobs en minder productiejobs. Dit wil echter niet
zeggen dat arbeiders een bediendenstatuut krijgen.
Professor
Luc Sels van de KU Leuven berekende hoeveel arbeiders bediende worden. Hij
bestudeerde hiervoor de gegevens van 1994-1998, waarbij hij vaststelde dat
tussen de 0,4 en de 0,6 procent van de arbeiders erin slaagt bediende te worden.
Dat
arbeiders in ons land kunnen opklimmen naar het bediendenstatuut is een
sprookje.
Professor
Luc Sels benadrukt dat internationaal vergelijkend onderzoek bewijst dat landen
die een eenheidsstatuut hebben voor hun werkenden, een grotere mobiliteit hebben
op hun arbeidsmarkt.
De
mobiliteit van de arbeidsmarkt is een belangrijk wapen in de strijd tegen
werkloosheid. De tertiaire economie vraagt meer dienstenjobs, doch deze worden
niet ingevuld door werkeloze arbeiders.
Het
onderscheid tussen arbeider en bediende is des te onrechtvaardiger omdat de
werkman, die in ons land wordt herleid tot een tweederangsburger, zeer moeilijk
kan doorstoten naar hogergeschoolde en creatievere taken, alhoewel hij de
talenten daartoe heeft.
4.2.
Vormings- en promotiekansen voor diegenen die een arbeidersstatuut hebben.
Termen
zoals kennismaatschappij, globalisering, permanent leren en technologische
revolutie nemen politici, vakbonden en werkgeversverenigingen graag in de mond.
Hierbij geven zij dan aan dat iedereen mee moet en dat er geen sprake meer kan
zijn van “domme” arbeid.
Het
onderscheid tussen arbeider en bediende, met al zijn beperkende gevolgen, maakt
ook dat heel wat mogelijkheden voor bedrijven verloren gaan om de capaciteit van
de mensen ten volle te benutten.
Arbeiders
zitten nog steeds in een carcan van "niet nadenken". De instandhouding
van dit onderscheid belemmert de opgang van de werkman in de
informatiemaatschappij.
Bepaalde
vormingscursussen zijn voorbehouden aan bedienden, waardoor arbeiders niet
kunnen profiteren van de kennismaatschappij. Dit is niet enkel schadelijk voor
de economie, doch dit werkt ook demotiverend voor de arbeider.
Het
onderscheid is bovendien oneerlijk, daar de hedendaagse arbeider heel complexe
taken moet verrichten. In een postindustriële samenleving verricht iedereen
immers hoofdarbeid en heeft bijgevolg iedereen noodzaak aan permanente vorming.
4.3.
Maatschappelijke en economische gevolgen van dit onderscheid
Deze
discriminatie tussen werknemers heeft nefaste gevolgen voor de economie. Het
gebrek aan mobiliteit tussen de categorieën onderling leidt tot een inefficiënte
arbeidsmarkt.
Voorts
hebben de vaktechnische beroepen geen “appeal” meer bij de jongeren omdat
het statuut niet meer aantrekkelijk is. Zo ontstaan diverse knelpuntberoepen,
waar er een accuut gebrek aan personeel is.
Het
gebrek aan doorgroeikansen en opleidingsmogelijkheden belemmeren het doorstromen
van talent en leidt tot een tekort aan geschikte arbeidskrachten. Het werkt
tevens demotiverend voor de betrokken werknemer.
Voorts
is er een perverse sociale situatie ontstaan waarbij de hooggeschoolden, die de
beste kansen hebben op de arbeidsmarkt, doorgaans de hoogste bescherming
genieten, en de (ongeschoolde) werklieden -overeenkomstig de statistieken inzake
de langdurige werklozen- en de lagere bedienden de laagste bescherming genieten.
Het
onderscheid is tevens denigrerend. Dit bleek duidelijk uit de pleidooien bij een
rechtszaak bij het Hof van Beroep te Antwerpen van 21 februari 2001
omtrent de hoogte van een opzegvergoeding, waarbij de advocaat van de werkgever,
een hoogtechnologisch bedrijf, als argument inriep dat de werknemer in kwestie
dom was en domme arbeid deed. Het symbool dat de advocaat aanvoerde om de
domheid van die arbeid te bewijzen was het gegeven dat de werknemer over een
schroevendraaier beschikte op zijn werkplaats. Dit was des te pijnlijker daar de
werknemer in kwestie een systeemtester was die fouten opzocht in duizenden
microscopische schakelingen.
5
De
rechtspraak
De
heer Vernimmen, lid van de socialistische fractie, wees in 1973 reeds op het
probleem dat het onderscheid tussen arbeider en bediende hoofdzakelijk steunt op
het zeer subjectieve criterium van intellectuele of manuele arbeidsprestaties[15].
De
praktische moeilijkheid om uit te maken of de werknemer een arbeider dan wel een
bediende is, maken dat de rechtspraak geneigd is verschillende feitelijke
gegevens als een vermoeden te aanvaarden[16].
De
rechtspraak baseert zich op een verscheidenheid
aan bewijselementen om te bepalen of iemand een arbeider of een bediende
is.
Het
is zeer moeilijk enige echte criteria uit de rechtspraak te kunnen afleiden die
enig houvast bieden.
Advocaat
D. Cuypers geeft dit treffend weer in zijn bespreking van de rechtspraak
dienaangaande.
Zo
leest men enerzijds in de rechtspraak dat een zekere graad van creativiteit en
initiatief niet volstaan voor een kok om het werk als hoofdarbeid te
kwalificeren[17]
Vreemd
genoeg wordt een chef-kok wel beschouwd als een bediende[18].
Anderzijds wordt het gebrek aan creativiteit dan weer ingeroepen om te stellen
dat het om handenarbeid gaat[19].
Anderzijds
is een basketbalspeler een bediende, wat impliceert dat de creativiteit en het
initiatief belangrijker zijn dan de fysieke prestatie[20].
Voorts
zijn bepaalde criteria nogal aan de subjectieve kant. Zo zijn
“verantwoordelijkheid” en “psychologische inzet” volgens de rechtspraak
belangrijke criteria.
Bijzonder
problematisch, aldus advocaat D. Cuypers, wordt het als men begint te overwegen
dat deze elementen zonder twijfel ook kunnen worden toegeschreven aan
onderhoudswerklieden in een hoogtechnologisch bedrijf.
De
moeilijkheden waarmee een rechter wordt geconfronteerd zijn onder meer[21]:
-
het manueel hanteren van technologisch hoogwaardige apparatuur lijkt
bijna steeds een zekere intellectuele inbreng te vereisen;
-
elk manueel beroep vereist de toepassing van theoretische kennis;
-
een aantal werknemers dat traditioneel ontegensprekelijk als bedienden
wordt aanzien verricht daarentegen arbeid, die een steeds meer repetitief
karakter vertoont en intellectueel minder stimulerend is;
-
technische innovaties maken het (gedeeltelijk) mogelijk zwaar fysisch en
vuil werk uit te sluiten of de omvang ervan te verminderen.
Rechtsgeleerde
X. Heyden stelt dat het aanhouden van het criterium van het al dan niet
hoofdzakelijk verrichten van intellectuele arbeid of manuele arbeid gepaard zal
gaan met vele problemen en betwistingen. Zo haalt hij rechtspraak aan van het
Arbeidshof te Brussel dat stelt dat de criteria van onderscheid: “négligent la complexité parfois considérable de travaux considérés
habituellement comme manuels et la responsabilité souvent lourde découlant de
ceux-ci”[22].
De
betekenis van de woorden intellectueel en manueel is, zoals professor François
benadrukt onduidelijk, waardoor zij een zeer brede interpretatiemarge toelaat.
We
kunnen enkel verontrust zijn over het feit dat de verschillende interpretaties
die de rechtspraak hanteert zouden kunnen verklaard worden door de vrijheid die
aan de rechter wordt gelaten door dit inconsistent criterium. Het is de
rechtszekerheid die op het spel staat[23].
Ook
Professor C. Engels sluit hierbij aan: “het
onderscheidingscriterium heeft het perverse gevolg de rechtsonzekerheid te
bevorderen[24]”.
Het
is vermeldenswaard dat ook het Arbitragehof reeds twee maal geoordeeld heeft dat
het onderscheid tussen arbeiders en bedienden niet meer van deze tijd is.
In
twee arresten, een arrest van 8 juli 1993[25] en een arrest van 21 juni
2001[26],
merkte het Arbitragehof op dat het verschil in behandeling tussen arbeiders en
bedienden berust op een criterium dat de invoering ervan op dit ogenblik
bezwaarlijk objectief en redelijk zou kunnen verantwoorden. Met andere woorden,
nieuwe wetgeving die opnieuw een onderscheid tussen arbeiders en bedienden zou
introduceren, zou de toets van de gelijkheids- en non-discriminatiebeginselen,
de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, niet doorstaan.
Voor
wat de bestaande wetgeving betreft, opteert het Arbitragehof echter voor een
compromisbenadering: hoewel de bestaande wetgeving voortborduurt op een
criterium dat niet langer houdbaar is, is de bestaande onderscheiden behandeling
van arbeiders en bedienden daardoor niet per definitie ongrondwettig. Het
Arbitragehof heeft reeds de bestaande verschillen qua opzeggingstermijnen tussen
arbeiders en bedienden (arrest van 8 juli 1993) en qua willekeurig ontslag
(arrest van 21 juni 2001) gebillijkt.
Deze
compromisbenadering stuit op veel kritiek bij de rechtsleer. Zo merkt Marc De
Vos het volgende op[27]:
“Die compromisbenadering kan moeilijk
overtuigen. Ofwel is het criterium van onderscheid tussen arbeiders en bedienden
objectief en verantwoord, ofwel is het dat niet of niet meer. In het eerste
geval zijn – alle overige grondwettigheidsvoorwaarden vervuld zijnde –
bestaande onderscheiden behandelingen van arbeiders en bedienden geoorloofd en
mogen er ook nieuwe worden ingevoerd. In het tweede geval zijn de bestaande
onderscheiden behandelingen ongeoorloofd en mogen er geen nieuwe worden
ingevoerd. Tussenoplossingen zijn niet denkbaar. Wanneer een criterium van
onderscheid dat ooit objectief of verantwoord was, dat niet langer is onder
invloed van een evolutie, is de conclusie van ongrondwettelijkheid
onverbiddelijk en algemeen, zij het met beperkte terugwerkende kracht tot op het
tijdstip van die evolutie.”
In
zijn slotbedenkingen over het arrest van 21 juni 2001 steekt Marc De Vos zijn
ontgoocheling over dit arrest niet onder stoelen of banken[28]:
“Voor wie het gefossieleerde onderscheid
tussen arbeiders en bedienden wil zien verdwijnen, is het besproken arrest een
bittere pil. In zijn arrest nr. 56/93 was het Arbitragehof duidelijk
teruggeschrikt voor het gewicht van de geschiedenis en voor de praktische
implicaties van een oordeel van ongrondwettigheid. Men kon toen hopen op een
accident de parcours van een ontluikend Hof. In volle maturiteit volgt het
Arbitragehof thans klakkeloos zijn eerdere rechtspraak. Bij de juridische
analyse van het Hof kunnen dus vragen worden gesteld.”
Deze
houding van het Arbitragehof zou voor de wetgever een reden te meer moeten zijn
om het heft in eigen handen te nemen en een einde te maken aan alle verschillen
in behandeling tussen arbeiders en bedienden.
Een
optreden van de wetgever is des te noodzakelijker, nu de sociale partners
gedurende decennia geen reële stappen naar een eenmaking van de statuten van
arbeider en bedienden hebben gezet. De arresten van het Arbitragehof van 1993 en
2001 hebben de sociale partners er ook niet toe aangezet hiervan echt werk te
maken, ondanks alle beloftes ter zake. Het kan niet ernstig betwist worden dat
de sociale partners een zware verantwoordelijkheid dragen voor het voortbestaan
van een situatie die reeds geruime tijd niet meer aanvaardbaar is en evenmin van
deze tijd kan worden genoemd.
6
Waar
liggen de knelpunten? Noodzaak van een wetgevend initiatief
Het
antwoord op de vraag of men tot een eenheidsstatuut kan komen hangt af van de
betrokken groepen en personen.
Zo
is er de delicate kwestie van de opzeggingstermijnen, waar het water zeer diep
is. Het patronaat verzet zich tegen
een oplossing waarbij de arbeiders zouden genieten van een opzeg die
gelijkaardig is aan deze die momenteel aan bedienden wordt toegekend, daar de
kostprijs voor de werkgevers te hoog zou zijn. Moet men overgaan tot een
verlaging van de opzeg van de bedienden om de stijging te compenseren van de
opzeg van de arbeiders? Deze vragen tonen duidelijk aan dat de belangen van de
ene niet de belangen van de andere
zijn. Zullen bedienden dan ook onder het stelsel van de gedeeltelijke
werkloosheid kunnen vallen? Het op elkaar afstemmen van de jaarlijkse vakantie
zal leiden tot een opheffen van de vakantiekassen, enz…
Men
ziet aan de hand van de aangehaalde voorbeelden dat de inzet van een virtuele
eenmaking het louter contractuele aspect van de wetgevende hervorming en de
louter individuele belangen van de betrokken partijen van de arbeidsovereenkomst
overstijgt.
De
wettelijk voorziene opzeggingstermijnen zijn onvoldoende voor wat betreft het
Europees Sociaal Handvest dat werd geratificeerd door België : het comité van
experten oordeelde immers dat vier weken opzeggingstermijn ingeval van 10 jaar
dienst niet volstaat om te beantwoorden aan “het recht van alle werknemers op
een redelijke opzeggingstermijn bij beëindiging der dienstbetrekking”, dit is
a fortiori zo wanneer de opzeggingstermijn uitgaande van de werkgever slechts 28
dagen is voor een werkman, die minder dan 20 jaar dienst heeft (artikel 59 van
voornoemde wet van 1978). Alhoewel deze opzeggingstermijnen licht werden
opgetrokken door de CAO nr. 75[29],
staat het vast dat België nog steeds niet voldoet aan het Europees Sociaal
Handvest. Daar komt nog bij dat men kan twijfelen aan de rechtsgeldigheid van de
CAO nr. 75.
De
eenmaking van de statuten heeft belangrijke implicaties op de paritaire
verhoudingen.
Zo
zullen de paritaire comités moeten worden aangepast, waarbij er slechts één
paritair comité is per sector.
Ook
het probleem van de “vakbondsorganisatie” rijst. De scheiding tussen
syndicale arbeiderscentrales en bediendencentrales is een realiteit die geen
enkel ander Europees land nog kent.
De
kern van het probleem ligt niet enkel in de strijdige belangen tussen de
werkgevers en de werknemers, doch evenzeer in de eigen structuur en organisatie
van de aparte vakbonden voor arbeiders en bedienden en de eigen collectieve
arbeidsovereenkomsten[30].
Yves
Desmet stelt het als volgt: “Vanuit de
werkgevers bestaat de vrees dat een uniformisering van het statuut zal leiden
tot een nivellering naar boven, waarbij iedereen de beste voorwaarden opeist. De
vakbonden lijden aan koudwatervrees, waarschijnlijk omdat ze dan zelf hun hele
organisatiestructuur en hun interne machtsposities zullen moeten gaan
herdenken.”[31].
Het
eenheidsstatuut zou tevens paal en perk stellen aan de administratieve eisen en
de kosten die verbonden zijn aan de dubbele onderhandelingen.
De
dubbele benadering van de werknemers heeft tevens tot gevolg dat we de meest
beschermde bedienden en de minst beschermde arbeiders in Europa hebben. De
vakbonden profileren zich als de collectieve beschermers van die zwakke groep.
Zij vrezen dat die macht afbrokkelt als ook deze groep individueel gaat denken,
aldus de heer Bob Van Meert, gewezen personeelsmanager van Alcatel Bell[32].
Het is gemakkelijker voor de bonden als de arbeiders “niemand” blijven. Als
ze zwak beschermd blijven kunnen de bonden zich opwerpen als de grote
beschermers en blijven de arbeiders trouwe klanten.
Op
de achtergrond spelen nog hardnekkiger elementen. Onder meer het bestaan van
structuren die op dit onderscheid geënt werden: aparte arbeiders- en
bediendenvakbonden, talloze kassen en fondsen en andere structuren die hun leven
te danken hebben aan dit onderscheid en die voor hun voortbestaan vechten[33].
Professor
Roger Blanpain stelt hieromtrent: “Het onderscheid arbeider-bediende is de
“categorie mère” in het arbeidsrecht, wat de soorten arbeidsovereenkomst
betreft. Het is het zwaard van Damocles en tezelfdertijd de basis van waaruit
groepen werknemers in zekere mate sociologisch getypeerd worden en een stuk
maatschappelijke ordening wordt opgebouwd. Het afschaffen van het onderscheid
zou een rechtvaardiging van heel wat maatschappelijke structuren op drijfzand
zetten; een van de redenen van het instandhouden ervan.”
[34]
Na
meer dan 30 jaar debat, geloven wij niet in een spontane toenadering van de
statuten op basis van een initiatief van de sociale partners. Te veel factoren
spelen hierin een rol:
-
de grote verschillen inzake ondermeer de opzeggingstermijnen;
-
het probleem van de vakbondsorganisaties met hun aparte structuren en de
angst om leden te verliezen;
-
de talloze kassen en fondsen en andere structuren die hun leven te
danken hebben aan dit onderscheid en die voor hun voortbestaan vechten;
-
het voordeel dat de werkgevers genieten om, als het wat slechter gaat,
arbeiders tijdelijk werkloos te kunnen maken op kosten van de
werkloosheidsverzekering;
-
de grote profileringsdrang vanwege vakbonden en werkgeversorganisaties;
-
de verwevenheid met andere gegevens : het onderscheid arbeider bediende
wordt onderstut door het al even achterhaalde statusonderscheid tussen algemeen,
technisch en beroepsonderwijs dat in ons land wordt gehandhaafd;
-
de sociale partners zijn én rechter én partij.
Gezien
de ernstige maatschappelijke en economische kostprijs van dit onderscheid, zoals
de zeer beperkte doorgroeikansen en opleidingsmogelijkheden van de arbeiders
waarbij de arbeiders vastzitten in een carcan van "niet nadenken",
gezien de sociale onrechtvaardigheid waarbij de werknemers die het minste
kwalificaties hebben de minste bescherming genieten, gezien het hoge aantal
knelpuntberoepen, gezien het denigrerend statuut dat een nefaste invloed heeft
op de studiekeuze van de jongeren, gezien de aangehaalde problemen in de
rechtspraak, waarbij de rechtszekerheid op het spel staat en gezien de
problematiek wederom op de Griekse kalender wordt geschoven, waarbij er geen
duidelijke kalender is vastgelegd, zien wij ons als wetgever genoodzaakt op te
treden.
7
Constitutieve
elementen van het voorstel
Zoals
blijkt uit bovenstaande analyse is het duidelijk dat er meer op het spel staat
dan het louter opheffen van de discriminatie tussen arbeiders en bedienden en
het invoeren van een eenheidsstatuut. Men dient rekening te houden met de nieuwe
economische en technologische realiteiten, die de structuur van de onderneming
en de aard van het werk fundamenteel beïnvloeden. Het voorstel dat werd
gelanceerd door professor Blanpain in het eerder aangehaalde werk dient als
leidraad.
7.1.
Individueel arbeidsrecht
7.1.1.
Het eenheidstatuut, een eerlijk vergelijk
De
arbeidsovereenkomst voor werknemers is de overeenkomst waarbij een werknemer
zich verbindt, tegen loon, onder gezag van de werkgever, arbeid te verrichten.
Kernpunt
van dit eenheidsstatuut is het afschaffen van de afroming door de fiscus en de
sociale zekerheid van de opzegvergoedingen en zo de financiële gevolgen van de
gelijkschakeling van de statuten te neutraliseren.
De
ontslagvergoeding wordt losgekoppeld van de opzeggingstermijn. Er wordt een
uniforme opzeggingstermijn ingevoerd met een minimum van drie maanden. Na 10
jaar anciënniteit wordt dit 4 maanden, na 15 jaar 5 maanden en na 20 jaar 6
maanden.
De
opzegvergoeding wordt een vierde van een maandwedde per jaar anciënniteit
(maximum 24 jaar) en wordt fiscaal niet meer beschouwd als een loon, doch als
een morele schadevergoeding, waarop geen belastingen en sociale
zekerheidsbijdragen worden geheven. Iemand met 20 jaar anciënniteit heeft aldus
recht op vijf maanden nettoloon tegenover 18 maanden bruto.
Er
wordt tevens een statuut voor verworven rechten voorzien, waarbij de mensen met
tien jaar anciënniteit de keuze wordt gelaten om te kiezen voor een van de twee
systemen.
Dit
voorstel resulteert in een neutraal systeem voor de bedienden en een goed
systeem voor de arbeiders.
Wat
betreft de kostprijs van het voorstel dient men rekening te houden met het
gegeven dat dubbele systemen worden uitgeschakeld, dat geen geschillen omtrent
het statuut zullen voorkomen voor de rechtbanken en, primordiaal, dat de vraag
op de arbeidsmarkt beter zal overeenstemmen met het aanbod. De mobiliteit zal
toenemen en talent zal kunnen doorgroeien.
Deze gegevens primeren op het beperkte kostenplaatje voor de overheid.
7.1.2.
Dichten van de kenniskloof
Het
eenheidstatuut zal de mogelijkheden voor de werknemer om opleidingen te volgen
drastisch verhogen. Deze basisbehoefte werd uitvoerig besproken in punt 4.2.
Opleidingen zullen niet
meer voorbehouden blijven voor bepaalde statuten, doch worden opengetrokken voor
elke werknemer. Dit wetsvoorstel geeft een eerste invulling van dit recht op
opleiding, Er wordt een minimum aantal werkdagen vastgelegd, op jaarbasis,
waarbij de werknemer zich kan bijscholen
7.1.3.
Proefbeding
De
duur wordt afgestemd op het systeem van de bedienden, waarbij de maximumduur 6
maanden bedraagt, zonder onderscheid wat de hoogte van het jaarloon betreft. Zes
maanden proef is voor beide partijen ruim voldoende om te zien of de behoeftes
(geschiktheid, arbeidsvoorwaarden en werkomgeving) van beide partijen op elkaar
kunnen worden afgestemd.
7.1.4.
Gewaarborgd loon en carensdag
Hier
neemt men de principes van het bediendestatuut over. De carensdag wordt
onmiddellijk afgeschaft, daar zij denigrerend is en er in uitvoering van de wet
13 juni 1999 betreffende controlegeneeskunde wordt gewerkt aan een betere
regeling voor de controle van de arbeidsongeschiktheid, waardoor de ratio legis
wegvalt.
7.1.5.
Gedeeltelijke werkloosheid
Daar
wij voorstander zijn van een flexibel beleid dat de concurrentiepositie van de
ondernemingen niet in het gedrang brengt, willen wij voorkomen dat werknemers te
snel afvloeien wegens economische redenen en daar de gemeenschap bijdraagt in de
kosten van die met de schorsing gepaard gaan wordt deze regeling uitgebreid tot
alle werknemers.
7.1.6.
Opzeggingstermijnen
Hierbij
wordt uitgegaan van volgende uitgangspunten:
-
vereenvoudiging is aangewezen;
-
een uniforme regeling voor alle werknemers wordt nagestreefd, er wordt
paal en perk gesteld aan de paradox van de minimale bescherming van de zwakkere
werknemers;
-
wij inspireren ons op de regelingen die van toepassing zijn in onze
buurlanden en rechtstreekse concurrenten;
-
er wordt een onderscheid gemaakt tussen de termijn en de
ontslagvergoeding, die wordt gekwalificeerd als een morele schadevergoeding en
waarop dus geen belastingen en sociale lasten verschuldigd zijn, waardoor het
effect voor de werknemers in hun netto vergoeding quasi neutraal is;
-
de voorgestelde opzeggingstermijnen zijn minima die gerust kunnen worden
verhoogd bij individuele of collectieve arbeidsovereenkomsten;
-
daar de duur, vereist is voor het vinden van een nieuwe betrekking voor
alle werknemers dezelfde is, is een goede uitgangspositie aangewezen, die eerder
langzaam stijgt;
-
men dient rekening te houden met de verworven rechten van de werknemers.
a)
Aanvang van de opzeggingstermijn
Deze begint te lopen op de eerste dag van de maand volgend op
die waarop kennis is gegeven van de opzegging, gezien de opzeggingstermijn wordt
uitgedrukt in maanden.
b)
Duur van de opzeggingstermijn
In
Duitsland is er een minimum-opzeggingstermijn van 4 weken, die naargelang van de
anciënniteit verlengd wordt met:
-1
maand, na 2 jaar anciënniteit;
-2
maanden, na 5 jaar anciënniteit;
-3
maanden, na 8 jaar;
-4
maanden, na 10 jaar;
-5
maanden, na 12 jaar;
-6
maanden, na 15 jaar;
-7
maanden, na 20 jaar.
CAO’s
kunnen in langere termijnen voorzien.
Wat
betreft de ontslagvergoeding voorzien noch de wet, noch de overeenkomsten
hierin.
In
Frankrijk hangt de duur af van de anciënniteit.
-minder
dan 6 maanden anciënniteit, geen opzeggingstermijn;
-6
maanden tot 2 jaar anciënniteit: 1 maand opzeggingstermijn;
-meer
dan 2 jaar anciënniteit: 2 maanden opzeggingstermijn.
De
ontslagvergoeding beloopt een tiende van een maand per jaar anciënniteit (voor
elke werknemer met twee jaar anciënniteit). Werknemers met meer dan tien jaar
anciënniteit hebben recht op een vijftiende van een maand per jaar anciënniteit.
Er zijn gunstigere bepalingen in CAO’s.
In
Nederland bedraagt het wettelijk minimum:
-minder
dan 5 jaar anciënniteit: 1 maand;
-plus
1 maand per schijf van 4 jaar anciënniteit.
Werknemers
van vijfenveertig jaar en ouder hebben bijkomende opzeggingstermijnen.
Gelet
op het bovenstaande, worden in het voorstel de volgende
bepaald:
-minimum
3 maanden;
-10
jaar anciënniteit: 4 maanden;
-15
jaar anciënniteit: 5 maanden;
-20
jaar anciënniteit: 6 maanden.
De
termijn te eerbiedigen door de werknemer bedraagt de helft van de termijn die de
werkgever dient te respecteren, met een maximum van 2 maanden.
Deze
regeling kan zeker de vergelijking met onze rechtstreekse buurlanden aan en is
zeker niet minder gunstig, integendeel.
c)
Ontslagvergoeding
De
ontslagvergoeding is in navolging van Frankrijk een morele schadevergoeding
wegens het verlies van de dienstbetrekking. Bijgevolg dient op deze vergoeding
sociale zekerheid, noch inkomstenbelasting te worden betaald. Door het aanwenden
van netto-vergoedingen wordt de kost voor de werkgever verlaagd en compenseert
zij anderzijds het verlies van een baan.
Deze
bedraagt een vierde maandloon per jaar anciënniteit met een maximum van 6
maanden.
Dit
betekent concreet dat een werknemer met een bruto maandloon van 2000 euro en
zestien jaar anciënniteit een netto ontslagvergoeding van 8000 euro geniet.
d)
Verworven rechten
Bepaalde
bedienden met een grote anciënniteit en een opzeggingstermijn vanaf
vierentwintig genieten een voorkeurrecht, waarbij zij kunnen kiezen tussen het
behoud van het oude systeem of het nieuwe systeem.
Anders
bepalen zou hun normale en rechtmatige verwachtingen te sterk te kort doen.
Deze
keuze geldt voor bedienden die op het ogenblik van de afkondiging van de wet
meer dan tien jaar dienst hebben bij dezelfde werkgever.
Deze
keuze dient te gebeuren binnen de twee maanden na de publicatie van de
desbetreffende wet in het Belgisch Staatsblad, volgens een specifieke procedure.
e)
Pensionering
Ingeval
van pensionering is een opzeggingstermijn van zes maanden aangewezen.
f)
Afwezigheid om een nieuwe
dienstbetrekking te zoeken
De
werknemer heeft het recht om gedurende de opzeggingstermijn één of tweemaal
per week van het werk te blijven om een nieuwe dienstbetrekking te zoeken mits
de duur van de afwezigheid in totaal die van 1 arbeidsdag per week niet
overschrijdt.
g)
Tegenopzegging
De
werknemer kan, na opzegging door de werkgever, aan de overeenkomst een einde
maken met een verkorte opzeggingstermijn, wanneer hij een andere
dienstbetrekking heeft gevonden. Deze termijn bedraagt dan één maand.
h)
Willekeurig ontslag
De
regeling van willekeurig ontslag wordt in het kader van het eenheidsstatuut
afgeschaft. De gemeenrechterlijke bepalingen inzake rechtsmisbruik blijven van
toepassing.
7.1.7.
Tijdstip van uitbetaling loon
Werknemers
worden minstens om de maand uitbetaald.
7.1.8.
Vervoerskosten
De
loongrens wordt afgeschaft en de regeling geldt voor alle werknemers.
7.1.9.
Jaarlijkse vakantie
Dit
verschil kan gemakkelijk zonder een verlaging van de rechten van arbeiders en
bedienden worden weggewerkt en zonder verhoging van de kostprijs voor de
werkgever weggewerkt worden.
Een
en ander zal in een apart wetsvoorstel gegoten worden. Immers, niet alleen de
berekening en de betaling van het vakantiegeld is verschillend voor arbeiders en
bedienden. Ook de materiële en administratieve organisatie verschilt: bij
arbeiders verloopt alles via vakantiekassen en de Rijksdienst voor Jaarlijkse
Vakantie (RJV), terwijl bij de bedienden iedere verantwoordelijkheid bij de
werkgever ligt. Het zou het bestek van dit wetsvoorstel te buiten gaan, indien
de herwerking van de Jaarlijkse Vakantiewet er ook nog eens deel zou van
uitmaken.
7.1.10.
Concurrentiebeding
Alle
bepalingen, die verband houden met het jaarloon worden afgeschaft. De andere
desbetreffende bepalingen van de wet van 1978 op de arbeidsovereenkomsten
blijven behouden met dien verstande dat het afwijkingsbeding voor bedienden
wordt veralgemeend.
7.2. collectief
arbeidsrecht
7.2.1.
Op het vlak van de onderneming
De
verschillende lijsten van arbeiders en bedienden worden vervangen door één
lijst van werknemers. Uiteraard dienen ter zake de uitgevaardigde koninklijke
besluiten mutatis mutandis aangepast te worden.
7.2.2.
Op het vlak van de bedrijfstak
Hier
ligt het initiatief bij de sociale partners, die uiteraard rekening dienen te
houden met de gewijzigde situatie na invoering van het eenheidsstatuut. Wellicht
zal men komen tot een eenheidsparitaircomité.
7.3.
Gerechtelijk recht
De
onderscheiden kamers voor werklieden en bedienden worden vervangen door één
kamer van werknemers.
Artikelen
2 tot 7
Het
is een logisch gevolg van de invoering van het eenheidsstatuut voor arbeiders en
bedienden dat de termen “werklieden” en “bedienden” uit art. 1 van de
Wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten verdwijnen.
Van
de gelegenheid wordt gebruik gemaakt om ook de overeenkomst voor tewerkstelling
van huisarbeiders en de overeenkomst voor tewerkstelling van studenten in het
allereerste artikel van de wet van 3 juli 1978 op te nemen.
Artikel
8
Dit
artikel voert onder Titel II het eenheidsstatuut voor de werknemer in, in de wet
betreffende de arbeidsovereenkomsten.
Hoofdstuk
I bevat een algemene bepaling.
Hoofdstuk
II bepaalt de loonregeling bij schorsing van de uitvoering van de overeenkomst.
Ook hiervoor wordt geput uit de huidige bedienderegeling. Gevolg is dat de
carensdag wordt afgeschaft.
Hoofdstuk
III betreft het einde van de
overeenkomst. Het referentiekader is dat van de bedienden. Opvallend is
uiteraard de nieuwe regeling van de opzegtermijnen en de ontslagvergoeding.
Van
de gelegenheid is gebruik gemaakt om een discriminatie in verband met de
vroegtijdige beëindiging van de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd weg te
werken. Tot op heden moeten zowel werkgever als werknemer in dergelijk geval een
verbrekingsvergoeding betalen die overeenstemt met de duur van het contract die
nog had moeten worden uitgevoerd (weliswaar beperkt tot het dubbel van de
opzeggingstermijn die nageleefd had moeten in geval van een arbeidsovereenkomst
voor onbepaalde duur).
Thans
bepaalt het nieuwe artikel 68 van de Arbeidsovereenkomstenwet dat de
verbrekingsvergoeding die de werknemer in geval van vroegtijdige beëindiging
van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd dient te betalen, nooit meer dan
2 maanden loon kan zijn. Dit zal uiteraard de arbeidsmobiliteit van de
werknemers ten goede te komen.
Artikelen
9 tot 26
Deze
artikelen hebben voornamelijk tot doel de overblijvende bepalingen van de wet
betreffende de arbeidsovereenkomsten in overeenstemming te brengen met de nieuwe
Titel II van de wet.
Artikel
27
Dit
artikel strekt ertoe de ontslagvergoeding in geval van beëindiging van een
arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd vrij te stellen van de betaling van
sociale-zekerheidsbijdragen.
Artikel
28
Dit
artikel strekt ertoe de ontslagvergoeding in geval van beëindiging van een
arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd vrij te stellen van de betaling van
inkomstenbelastingen.
Artikel
29
In
het kader van de eenmaking van de statuten van arbeiders en bedienden heeft
huidig wetsvoorstel de optie genomen dat de werkgever zowel voor arbeiders als
voor bedienden het loon verder blijft uitbetalen tijdens de eerste 30 dagen van
de arbeidsongeschiktheid wegens een ongeval anders dan een arbeidsongeval of een
ongeval op weg naar of van het werk of wegens een ziekte anders dan een
beroepsziekte.
De
tussenkomst van de ziekte- en invaliditeitsverzekering tot medefinanciering van
het gewaarborgd loon van de arbeiders gedurende de eerste 30 dagen van de
arbeidsongeschiktheid wordt dan ook opgeheven. Artikel 16 dient deze opheffing
te bewerkstelligen.
Artikel
30
Omvat
de regeling van uitbetaling van het loon.
Artikel
34
Dit
artikel bepaalt dat de wet onmiddellijk van toepassing is op de lopende
overeenkomsten.
Het
bevat een overgangsbepaling voor bedienden die nog willen genieten van de oude
regeling van opzeg en ontslag.
Het
leek passend dat de bedienden hun keuze voor het behoud van de oude
ontslagregeling op dezelfde wijze aan de werkgever kenbaar maken als een
opzegging die van hun kant uitgaat. Om die reden bepaalt art. 18 dat de
kennisgeving van de keuze voor het behoud van de oude ontslagregeling kan
gebeuren op de 3 wijzen van kennisgeving die bepaald zijn in art. 37, § 1,
derde lid van de Wet van 3 juli 1978 op de arbeidsovereenkomsten.
HOOFDSTUK
I: ALGEMENE BEPALING
Artikel
1
Deze
wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet, met
uitzondering van de artikelen 31 en 32 die een aangelegenheid als bedoeld in
artikel 77 van de Grondwet regelen.
HOOFDSTUK
II: WIJZIGING VAN DE WET VAN 3 JULI 1978 BETREFFENDE DE ARBEIDSOVEREENKOMSTEN
Artikel
2
Artikel
1, eerste lid, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten
wordt vervangen als volgt:
“Deze
wet regelt de arbeidsovereenkomsten voor werknemers, met inbegrip van de
specifieke bepalingen voor handelsvertegenwoordigers en dienstboden.
Zij is ook van toepassing op de overeenkomst voor tewerkstelling van
huiswerknemers en de overeenkomst voor tewerkstelling van studenten.”
Artikel
3
In
artikel 2 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 17 juli 1985, worden de
volgende wijzigingen aangebracht:
A.
het woord “werklieden” wordt vervangen door het woord
“werknemers”;
B.
de woorden “de werkman” worden geschrapt;
C.
de woorden “in hoofdzaak handarbeid” vervangen door het woord
“arbeid”.
Artikel
4
Artikel
3 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 17 juli 1985, wordt opgeheven.
Artikel
5
In
artikel 5 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 17 juli 1985,
wordt het woord “handarbeid” vervangen door het woord “arbeid”.
Artikel
6
De
artikelen 39, 39bis, ingevoegd bij de wet van 22 januari 1985, en 40 van
dezelfde wet worden opgeheven.
Artikel
7
In
artikel 41 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 23 juni 1981 worden de
woorden “onder de bij de artikelen 64, 85 en 115 bepaalde voorwaarden”
vervangen door “onder de bij de artikelen 73 en 104 bepaalde voorwaarden”.
Artikel
8
De
Titels II en III van dezelfde wet, bestaande uit de artikelen 47 tot 87 worden
een Titel II, bestaande uit de artikelen 47 tot 72, luidende:
“Titel
II De arbeidsovereenkomst voor werknemers:
“Hoofdstuk
I Algemene bepalingen
Art.
47.- De bepalingen van deze titel gelden voor de arbeidsovereenkomst voor
werknemers.
Art.
48.- De arbeidsovereenkomst kan een beding van proeftijd bevatten. Op straffe
van nietigheid moet dat beding voor iedere werknemer afzonderlijk schriftelijk
worden vastgesteld, uiterlijk op het tijdstip waarop de werknemer in dienst
treedt.
De
proeftijd mag niet minder dan één maand bedragen. Hij mag niet meer belopen
dan zes maanden. Wanneer omtrent de duur van de proeftijd niets is bepaald bij
individuele of collectieve arbeidsovereenkomst noch in het arbeidsreglement, dan
is de proeftijd één maand.
Indien
de uitvoering van de arbeidsovereenkomst tijdens de proeftijd wordt geschorst,
wordt de proeftijd met een periode gelijk aan die van de schorsing verlengd.
Hoofdstuk
II. Loonregeling bij schorsing van de uitvoering van de overeenkomst
Art.
49.- In geval van technische stoornis in de onderneming wordt de uitvoering van
de overeenkomst geschorst. Tijdens een periode van zeven dagen te rekenen vanaf
de datum van deze technische stoornis, behoudt de werknemer zijn recht op het
normale loon.
De
arbeidsdag die onderbroken werd wegens deze technische stoornis en die aan de
werknemer betaald wordt ingevolge het bepaalde in artikel 27, moet worden
beschouwd als de eerste dag van de periode van zeven dagen.
De
werknemer verliest zijn recht op het bij het eerste lid vastgestelde loon,
wanneer hij weigert elk vervangingswerk te aanvaarden dat overeenstemt met zijn
lichamelijke en verstandelijke geschiktheden en verenigbaar is met zijn
beroepskwalificatie. Nochtans is die weigering op zichzelf geen dringende reden
die de beëindiging van de overeenkomst rechtvaardigt.
Uiterlijk
de eerste werkdag na de dag van de technische stoornis deelt de werkgever bij
een ter post aangetekende brief aan het werkloosheidsbureau van de Rijksdienst
voor Arbeidsvoorziening van de plaats waar de onderneming gevestigd is of op
elektronische wijze, waarvan de nadere regelen worden vastgesteld door de
Koning, het volgende mee :
1° de datum en de aard van de technische stoornis;
2° de datum van het begin van de schorsing van de uitvoering
van de arbeidsovereenkomst.
Binnen
zes dagen na de dag van de technische stoornis deelt de werkgever bij een ter
post aangetekende brief aan het werkloosheidsbureau van de Rijksdienst voor
Arbeidsvoorziening van de plaats waar de onderneming gevestigd is of op
elektronische wijze waarvan de nadere regelen worden vastgelegd door de Koning
een lijst mee met de naam, de voornamen en het adres van de werknemer van wie de
arbeidsovereenkomst in haar uitvoering is geschorst.
De
directeur van het werkloosheidsbureau van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening
van de plaats waar de onderneming gevestigd is betekent, binnen de door de
Koning vastgestelde voorwaarden en nadere regelen, zijn weigering tot erkenning
van de ingeroepen omstandigheden die een technische stoornis vormen in de zin
van deze wet.
In
dat geval blijft het loon van de werknemer ten laste van de werkgever voor de
volledige duur van de schorsing van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst.
De
werkgever die zich niet gedraagt naar de bepalingen van het vierde en het vijfde
lid betreffende de formaliteiten van mededeling of die er zich te laat naar
gedraagt, is gehouden aan de werknemer zijn normaal loon te betalen tijdens een
periode van zes dagen die aanvangt de eerste dag van het werkloos stellen.
Uiterlijk
de vierde dag die de datum van de technische stoornis volgt, deelt de werkgever
aan de ondernemingsraad of, bij ontstentenis van een ondernemingsraad aan de
vakbondsafvaardiging de aard van de technische stoornis mee die deze periode van
werkloosheid rechtvaardigt.
Art.
50.- Het slechte weder schorst de uitvoering van de overeenkomst, voor zover het
werk onmogelijk wordt en op voorwaarde dat de werknemer werd verwittigd dat hij
zich niet moet aanbieden.
Voor
de toepassing van dit artikel kan de Koning, na advies van het Beheerscomité
van het Fonds tot vergoeding van de in geval van sluiting van ondernemingen
ontslagen werknemers, opgericht bij artikel 9 van de wet van 28 juni 1966
betreffende de schadeloosstelling van de werknemers die ontslagen worden bij
sluiting van ondernemingen, en van de Nationale Arbeidsraad, bepalen wat moet
worden verstaan onder het slechte weer dat het werk onmogelijk maakt.
De
werkgever deelt de eerste dag van de werkelijke schorsing van de uitvoering van
de overeenkomst, krachtens dit artikel, in elke kalendermaand onmiddellijk mee
aan het werkloosheidsbureau van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening. De
Koning bepaalt de nadere regelen betreffende deze mededeling, die op
elektronische wijze plaats kan vinden alsmede de nadere regelen betreffende het
bewijs van het slechte weder.
De
werkgever wordt van deze mededeling vrijgesteld indien gedurende de
kalendermaand voor de betrokken werknemer reeds mededeling werd gedaan met
toepassing van artikel 51, § 3quater, eerste lid.
Maakt
het weder het werk opnieuw mogelijk, dan moet de werknemer verwittigd worden dat
het werk wordt hervat.
Als
de in het eerste lid bedoelde schorsing van de overeenkomst één maand
overschrijdt, heeft de werknemer het recht om de overeenkomst te beëindigen
zonder opzegging.
De
werkgever die zich niet gedraagt naar de bepalingen van het derde lid betaalt
aan de werknemer zijn normaal loon voor de dagen tijdens welke de uitvoering van
de overeenkomst ingevolge het eerste lid werkelijk geschorst is. Leeft de
werkgever de in het derde lid bedoelde verplichtingen laattijdig na, dan geldt
de verplichting om het loon te betalen enkel gedurende de periode voorafgaand
aan de mededeling. Voor de toepassing van dit lid bepaalt de Koning wat dient te
worden verstaan onder normaal loon.
Art.
51.- § 1. Op advies van het paritair comité of van de Nationale Arbeidsraad,
kan de Koning de voorwaarden bepalen waaronder bij gebrek aan werk wegens
economische oorzaken, de uitvoering van de overeenkomst geheel wordt geschorst
of een regeling van gedeeltelijke arbeid wordt ingevoerd.
Het
koninklijk besluit vermeldt :
1° de wijze waarop en de termijn waarbinnen de nieuwe
arbeidsregeling wordt ter kennis gebracht;
2° de duur van de nieuwe regeling;
3° het maximum aantal werkloosheidsdagen.
Mededeling
van de aanplakking of van de individuele kennisgeving moet de dag zelf van de
aanplakking of van de individuele kennisgeving door de werkgever worden gezonden
bij een ter post aangetekende brief aan het werkloosheidsbureau van de
Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening van de plaats waar de onderneming gevestigd
is of op elektronische wijze waarvan de nadere regelen worden vastgelegd door de
Koning.
De
Koning kan, na advies van het Beheerscomité van het Fonds tot vergoeding van de
in geval van sluiting van ondernemingen ontslagen werknemers en de Nationale
Arbeidsraad, de minimale termijn bepalen waarbinnen de nieuwe arbeidsregeling
wordt ter kennis gebracht.
De
in het tweede lid, 1°, bedoelde kennisgeving en de in het derde lid bedoelde
mededeling vermelden :
1° de datum waarop de volledige schorsing van de uitvoering
van de overeenkomst of de regeling van gedeeltelijke arbeid zal ingaan en de
datum waarop die schorsing of die regeling een einde zal nemen;
2° de data waarop de werknemers werkloos zullen zijn.
De
in het derde lid bedoelde mededeling vermeldt daarenboven :
1° de economische redenen die de volledige schorsing van de
uitvoering van de overeenkomst of het instellen van een regeling van
gedeeltelijke arbeid rechtvaardigen;
2° hetzij de naam, de voornamen en het adres van de werkloos
gestelde werknemers, hetzij de afdelingen van de onderneming waar de arbeid
wordt geschorst.
§
2. Bij ontstentenis van de bij § 1 getroffen regeling kan bij gebrek aan werk
wegens economische oorzaken de uitvoering van de overeenkomst ten hoogste vier
weken geheel worden geschorst of kan een regeling van gedeeltelijke arbeid
worden ingevoerd. Wanneer de volledige schorsing van de uitvoering van de
overeenkomst de maximumduur van vier weken heeft bereikt, moet de werkgever
gedurende een volledige arbeidsweek de regeling van volledige arbeid opnieuw
invoeren, alvorens een nieuwe volledige schorsing of een regeling van
gedeeltelijke arbeid kan ingaan.
Van
de in het eerste lid geboden mogelijkheid kan enkel gebruik worden gemaakt,
indien kennisgeving wordt gedaan door aanplakking op een goed zichtbare plaats
in de lokalen van de onderneming, ten minste zeven dagen vooraf, de dag van
aanplakking niet inbegrepen.
De
kennisgeving moet vermelden :
1° hetzij naam, voornamen en gemeente van de woonplaats van
de werkloos gestelde werknemer, hetzij de afdelingen van de onderneming waar de
arbeid wordt geschorst;
2° het aantal werkloosheidsdagen en de data waarop elke
werknemer werkloos zal zijn;
3° de datum waarop de volledige schorsing van de uitvoering
van de overeenkomst of de regeling van gedeeltelijke arbeid zal ingaan, en de
datum waarop die schorsing of die regeling een einde zal nemen.
De
aanplakking kan worden vervangen door een geschreven kennisgeving aan ieder
werkloos gestelde werknemer, ten minste zeven dagen vooraf, de dag van de
kennisgeving niet inbegrepen. Die kennisgeving moet de in het derde lid, 2° en
3°, bedoelde vermeldingen aangeven.
Mededeling
van de aanplakking of van de individuele kennisgeving wordt de dag zelf van de
aanplakking of van de individuele kennisgeving door de werkgever gezonden bij
een ter post aangetekende brief aan het werkloosheidsbureau van de Rijksdienst
voor Arbeidsvoorziening van de plaats waar de onderneming gevestigd is of op
elektronische wijze waarvan de nadere regelen worden vastgesteld door de Koning.
In
deze mededeling vermeldt de werkgever daarenboven de economische redenen die de
volledige schorsing van de uitvoering van de overeenkomst of het instellen van
een regeling van gedeeltelijke arbeid rechtvaardigen.
§
3. Dezelfde dag van de bij § 1, tweede lid, 1°, en van de bij § 2, tweede
lid, voorziene kennisgeving, moet de werkgever aan de ondernemingsraad of, bij
ontstentenis van een ondernemingsraad, aan de vakbondsafvaardiging de
economische redenen mededelen die de volledige schorsing van de uitvoering van
de overeenkomst of het instellen van een stelsel van gedeeltelijke arbeid
rechtvaardigen.
§
4. De in §§ 1 en 2 bedoelde regeling van gedeeltelijke arbeid kan worden
ingevoerd voor een duur van ten hoogste drie maanden, indien zij minder dan drie
arbeidsdagen per week of minder dan één arbeidsweek per twee weken omvat.
Wanneer de regeling van gedeeltelijke arbeid de maximumduur van drie maanden
heeft bereikt, moet de werkgever gedurende een volledige arbeidsweek de regeling
van volledige arbeid opnieuw invoeren, alvorens een volledige schorsing of een
nieuwe regeling van gedeeltelijke arbeid kan ingaan. De Koning kan, na advies
van het bevoegde paritair comité of van de Nationale Arbeidsraad, van deze
bepaling afwijken, wanneer wegens uitzonderlijke omstandigheden de regeling van
gedeeltelijke arbeid onvermijdelijk voor een langere duur dan drie maanden moet
worden ingevoerd.
Wanneer
de regeling van gedeeltelijke arbeid minder dan één arbeidsweek per twee weken
omvat, moet de week waarin er gewerkt wordt, ten minste twee arbeidsdagen
omvatten. Bij ontstentenis hiervan, wordt de duur van de regeling van
gedeeltelijke arbeid geregeld door de bepalingen van § 2 die van toepassing
zijn op de volledige schorsing van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst. Dit
is eveneens het geval wanneer de regeling wordt beheerst door een koninklijk
besluit genomen met toepassing van § 1. De Koning kan, na advies van het
Beheerscomité van het Fonds tot vergoeding van de ingeval van sluiting van
ondernemingen ontslagen werknemers en van de Nationale Arbeidsraad, een
maximumtermijn vastleggen voor deze regeling van gedeeltelijke arbeid.
Wanneer
de in §§ 1 en 2 bedoelde regeling van gedeeltelijke arbeid ten minste drie
arbeidsdagen per week of één arbeidsweek per twee weken omvat, kan zij worden
ingevoerd voor een duur die drie maanden kan overschrijden.
§
5. De Koning kan bepalen wat voor de toepassing van dit artikel en de
uitvoeringsbesluiten ervan onder het opnieuw invoeren gedurende een volledige
arbeidsweek van de regeling van volledige arbeid, wordt verstaan.
§
6. Na advies van het Beheerscomité van het Fonds tot vergoeding van de ingeval
van sluiting van ondernemingen ontslagen werknemers en van de Nationale
Arbeidsraad, kan de Koning, per jaar, de duur beperken van de periodes van
volledige schorsing van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst en van de
regelingen van gedeeltelijke arbeid, geregeld door of krachtens dit artikel.
§
7. Op advies van het paritair comité of van de Nationale Arbeidsraad, kan de
Koning de verplichting opleggen de eerste dag van de werkelijke schorsing van de
uitvoering van de overeenkomst, krachtens dit artikel, in elke kalendermaand
onmiddellijk mede te delen aan het werkloosheidsbureau van de Rijksdienst voor
Arbeidsvoorziening. Hij bepaalt de nadere regelen betreffende deze mededeling.
De
werkgever wordt van deze mededeling vrijgesteld indien gedurende de
kalendermaand voor de betrokken werknemer reeds mededeling werd gedaan met
toepassing van artikel 50, derde lid.
§
8. Gedurende de bij dit artikel bedoelde periodes van volledige schorsing van de
uitvoering van de overeenkomst of van gedeeltelijke arbeid heeft de werknemer
het recht de overeenkomst zonder opzegging te beëindigen.
§
9. Telkens als de werkgever het oorspronkelijk voorziene aantal
werkloosheidsdagen verhoogt of van een regeling van gedeeltelijke arbeid
overgaat naar een volledige
schorsing van de uitvoering van de overeenkomst, is hij verplicht de bepalingen
van §§ 1 of 2 van dit artikel na te leven.
§
10. Telkens de werkgever, tijdens een periode van volledige schorsing van de
uitvoering van de overeenkomst of van een regeling van gedeeltelijk arbeid, die
overeenkomstig de bepalingen van de §§ 1 en 2, werd medegedeeld, het
oorspronkelijk voorziene aantal werkloosheidsdagen vermindert of één of meer
dagen waarop voorheen niet werd gewerkt door één of meer andere vervangt,
zonder ze te vermeerderen, is hij verplicht uiterlijk de eerste werkdag die
volgt op de inwerkingtreding van deze wijzigingen, het werkloosheidsbureau van
de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening van de plaats waar de onderneming
gevestigd is schriftelijk op de hoogte te brengen van:
1° hetzij van het aantal betrokken werknemers wanneer deze
wijzigingen betrekking hebben op een afdeling van de onderneming, hetzij, in de
andere gevallen, van de naam, voornamen en het adres van de werkloos gestelde
werknemers.
2° de data waarop deze werknemers werkloos zullen zijn.
Deze
wijzigingen kunnen eveneens worden meegedeeld op elektronische wijze, waarvan de
nadere regelen worden vastgesteld door de Koning.
Het
eerste lid is niet van toepassing ingeval een verplichting tot mededeling
bestaat met toepassing van de bepalingen van § 7.
§
11. Voor de berekening van de duur van de volledige schorsing van de uitvoering
van de overeenkomst of van de regeling van gedeeltelijke arbeid, wordt er
rekening gehouden met de duur welke door de werkgever in zijn kennisgeving wordt
aangeduid.
De
werkgever mag nochtans aan de uitwerking van zijn kennisgeving een einde maken,
indien hij hiervan door aanplakking of individuele kennisgeving aan de
werknemers mededeling doet, en indien hij ten minste zeven dagen vóór het
verstrijken van de bij of krachtens § 1, § 2, eerste lid en § 4, eerste lid,
bepaalde periodes de regeling van volledige arbeid opnieuw invoert. Mededeling
van de aanplakking of van de individuele kennisgeving moet in de bij § 2,
vijfde lid, bepaalde vormen aan de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening worden
gezonden.
§
12. De werkgever die zich niet gedraagt naar de bepalingen van §§ 1, 2 en 9
betreffende de formaliteiten van kennisgeving, is gehouden aan de werknemer zijn
normaal loon te betalen tijdens een periode van zeven dagen vanaf de eerste dag
van de werkelijke schorsing van de uitvoering van de overeenkomst.
De
werkgever die zich niet gedraagt naar de bepalingen waarbij de duur wordt
beperkt van volledige schorsing van de uitvoering van de overeenkomst of van de
regeling van gedeeltelijke arbeid, vastgesteld bij of ter uitvoering van § 1,
§ 2, eerste lid, en § 4, eerste lid, of door de werkgever ter kennis gebracht,
is verplicht het normaal loon aan de werknemer te betalen gedurende de periode
die deze grenzen te buiten gaat.
De
werkgever die zich niet gedraagt naar de bepalingen van § 7 is verplicht aan de
werkman zijn normaal loon te betalen voor de dagen tijdens welke de uitvoering
van de overeenkomst krachtens dit artikel werkelijk geschorst is. Leeft de
werkgever de in § 7 bedoelde verplichtingen laattijdig na, dan geldt de
verplichting om het loon te betalen enkel gedurende de periode voorafgaand aan
de mededeling. Voor de toepassing van dit lid bepaalt de Koning wat dient te
worden verstaan onder normaal loon.
De
werkgever die zich niet gedraagt naar de in het eerste en het derde lid bedoelde
bepalingen, is gehouden aan de werknemer zijn normaal loon te betalen tijdens
een periode van zeven dagen vanaf de eerste dag van de werkelijke schorsing van
de uitvoering van de overeenkomst; hij is tevens gehouden aan de werknemer, in
de daaropvolgende periode, voor de dagen tijdens welke de uitvoering van de
overeenkomst krachtens dit artikel werkelijk geschorst is, een normaal loon te
betalen waarvan de Koning het bedrag bepaalt. Leeft de werkgever de in het derde
lid bedoelde verplichtingen laattijdig na, dan geldt de verplichting om het loon
te betalen enkel gedurende de periode voorafgaand aan de mededeling.
Art.
52.- De uitvoering van de arbeidsovereenkomst kan bij toepassing van de
artikelen 49, 50 en 51 maar worden geschorst, wanneer de werknemer al zijn
volledige dagen inhaalrust waarop hij recht heeft ingevolge de artikelen 16 en
26bis van de Arbeidswet van 16 maart 1971 en artikel 11 van de wet van 4 januari
1974 betreffende de feestdagen reeds heeft toegekend gekregen.
De
in het eerste lid bedoelde schorsing moet eveneens worden verdaagd zolang, in
geval van toepassing van artikel 20bis van de arbeidswet van 16 maart 1971, de
prestaties van de werknemer de gemiddelde wekelijkse arbeidsduur over de periode
die de schorsing van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst voorafgaat,
overschrijden.
De
werkgever mag volledige rustdagen toekennen om deze gemiddelde wekelijkse
arbeidsduur na te leven.
Art.
53.- § 1. In geval van arbeidsongeschiktheid wegens ziekte, andere dan een
beroepsziekte, of wegens een ongeval, anders dan een arbeidsongeval of een
ongeval op weg naar of van het werk, heeft de werknemer ten laste van zijn
werkgever, recht op zijn normaal
loon gedurende de eerste dertig dagen van arbeidsongeschiktheid wegens ziekte of
ongeval.
Het
recht op loon gaat in wanneer de werknemer zonder onderbreking gedurende ten
minste één maand in dienst van dezelfde onderneming is gebleven.
Wanneer
de werknemer de anciënniteit bereikt tijdens de periode van gewaarborgd loon,
kan hij op het in het eerste lid bedoelde loon aanspraak maken voor de
overblijvende dagen.
§
2. Het in § 1 bedoelde loon is niet opnieuw verschuldigd, wanneer zich een
nieuwe arbeidsongeschiktheid voordoet binnen de eerste veertien dagen die volgen
op het einde van de periode van arbeidsongeschiktheid welke aanleiding heeft
gegeven tot de uitbetaling van het bij § 1 voorgeschreven loon.
Het
in § 1 bedoelde loon is echter verschuldigd:
1° voor het nog te lopen gedeelte van de periode van
veertien dagen, indien de eerste periode van arbeidsongeschiktheid geen
aanleiding heeft gegeven tot de uitbetaling van het bij § 1 voorgeschreven loon
gedurende een periode van veertien dagen;
2° wanneer de werknemer door middel van een geneeskundig
getuigschrift bewijst dat deze nieuwe arbeidsongeschiktheid te wijten is aan een
andere ziekte of aan een ander ongeval.
§
3. Het in § 1 bedoelde loon is niet verschuldigd aan de werknemer:
1° die een ongeval heeft opgelopen naar aanleiding van een
lichaamsoefening uitgevoerd tijdens een sportcompetitie of –exhibitie waarvoor
de inrichter toegangsgeld ontvangt en waarvoor de deelnemers in om het even
welke vorm een loon ontvangen;
2° wiens arbeidsongeschiktheid voortspruit uit een door hem
gepleegde zware fout.
§
4. De werkgever kan tegen derden die aansprakelijk zijn voor het in § 1
bedoelde ongeval, een rechtsvordering instellen tot terugbetaling van het loon
dat aan het slachtoffer werd betaald en van de sociale bijdragen waartoe de
werkgever door de wet of door een individuele of collectieve arbeidsovereenkomst
is gehouden.
Art.
54.- De Koning kan, na advies van het bevoegde paritair comité en bij een in
Ministerraad overlegd besluit:
1° de anciënniteit, bepaald bij artikel 53, § 1, tweede
lid, wijzigen;
2° de voorwaarde van anciënniteit in de onderneming door
andere voorwaarden vervangen;
3° bijkomende voorwaarden buiten die gesteld in de artikelen
31 en 53 opleggen.
Het
paritair comité deelt zijn advies mee binnen twee maanden na verzoek daartoe;
na het verstrijken van deze termijn mag een beslissing worden genomen.
Art.
55.- § 1. De werknemer als bedoeld in artikel 50 heeft, in geval van
arbeidsongeschiktheid wegens beroepsziekte, arbeidsongeval of ongeval op de weg
naar of van het werk, recht op zijn loon voor een periode van zeven dagen die
aanvangt met de eerste dag van de arbeidsongeschiktheid.
De
arbeidsdag die onderbroken wordt wegens beroepsziekte, arbeidsongeval of ongeval
op de weg naar of van het werk en die aan de bediende wordt uitbetaald krachtens
de bepalingen van artikel 27, moet worden beschouwd als de eerste dag van die
periode.
§
2. In afwijking van de artikelen 22 en 25 van de arbeidsongevallenwet van 10
april 1971 en van de artikelen 34 en 35 van de gecoördineerde wetten van 3 juni
1970 betreffende de schadeloosstelling voor beroepsziekten, zijn de in de
artikelen 49 en 58 van de arbeidsongevallenwet bedoelde maatschappij,
verzekeringskas of het Fonds voor Arbeidsongevallen, alsmede het in artikel 4
van genoemde gecoördineerde wetten van 3 juni 1970 bedoelde Fonds voor de
Beroepsziekten ertoe gehouden de dagelijkse vergoedingen, die aan de werkman
verschuldigd zijn, voor dezelfde periode aan de werkgever te storten.
In dat geval zijn de in artikel 43 van de voormelde wet van
10 april 1971 en in artikel 42 van de voormelde gecoördineerde wetten van 3
juni 1970 bedoelde bijdragen, niet verschuldigd.
De werkgever is verplicht aan de werknemer de dagelijkse
vergoedingen te storten die betrekking hebben hetzij op de dagen van gewone
inactiviteit van de onderneming, hetzij op de dagen waarop de uitvoering van de
overeenkomst bij toepassing van artikel 50 of 51 wordt geschorst.
De in het vorige lid bedoelde vergoedingen worden, voor de
toepassing van de bepalingen betreffende de sociale zekerheid, met loon
gelijkgesteld.
§
3. Het totaal bedrag van het loon en van de dagelijkse vergoedingen, dat aan de
door ongeval of ziekte getroffen werknemer door de werkgever is verschuldigd bij
toepassing van dit artikel, mag het bedrag van het loon niet overschrijden
waarop deze werknemer normaal aanspraak kan maken voor arbeidsprestaties met
betrekking tot een periode van zeven dagen.
§
4. De werkgever kan tegen derden die aansprakelijk zijn voor de in § 1 bedoelde
ongeval of ziekte een rechtsvordering instellen tot terugbetaling van het loon
dat aan het slachtoffer werd betaald en van de sociale bijdragen waartoe de
werkgever door de wet of door een individuele of collectieve arbeidsovereenkomst
is gehouden.
Art.
56.- Zo de vrouwelijke werknemer buiten de periodes van verlof of van
arbeidsonderbreking vastgesteld bij artikel 39 van de arbeidswet van 16 maart
1971 arbeidsongeschikt is ten gevolge van zwangerschap of bevalling zijn de
bepalingen van de artikelen 49 en 50 van toepassing.
Art.
57.- Tijdens de periodes en verloven, vastgesteld bij de bepalingen van de
artikelen 28, 2°bis, 30, 49 tot 53, 55 en 56 heeft de werknemer enkel recht op
het normale loon voor de dagen van gewone activiteit waarvoor hij aanspraak had
kunnen maken op loon, indien hij niet in de onmogelijkheid had verkeerd om te
werken.
De Koning kan op advies van de Nationale Arbeidsraad afwijken
van de regel voorzien in het eerste lid.
Het normale loon wordt berekend volgens de wetgeving op de
feestdagen.
De Koning kan, na advies van het bevoegde paritair comité of
van de Nationale Arbeidsraad, een andere wijze van berekening van het normale
loon vaststellen.
Art.
58.- In de bedrijfstakken waar een fonds voor bestaanszekerheid bestaat, is de
werkgever geheel of gedeeltelijk ontslagen van de verplichtingen betreffende het
behoud van het loon, zoals bepaald bij de artikelen 27, 29, 30, 49 tot 53, 55 en
56, voor zover bij een collectieve arbeidsovereenkomst, door de Koning algemeen
verbindend verklaard, het Fonds voor bestaanszekerheid met die verplichting
wordt belast.
Art.
59.- Het commissieloon waarop de werknemer recht heeft, wordt berekend op grond
van het maandgemiddelde der commissielonen die hem zijn toegekend gedurende de
twaalf maanden vóór de in artikel 28, 2°, bedoelde arbeidsonderbreking en de
in de artikelen 53 en 55 bedoelde arbeidsongeschiktheid of in voorkomend geval
gedurende het gedeelte van die twaalf maanden tijdens hetwelk hij in dienst was.
Hoofdstuk
III. Einde van de overeenkomst
Art.
60.- Nadat de arbeidsongeschiktheid ten gevolge van ziekte of ongeval van de
voor onbepaalde tijd aangeworven werknemer meer dan zes maanden heeft geduurd,
kan de werkgever te allen tijde aan de overeenkomst een einde maken mits
vergoeding. Deze is gelijk aan het loon dat overeenstemt met de
opzeggingstermijn welke ten opzichte van de werknemer in acht moet worden
genomen, na aftrek van het loon dat werd uitbetaald sedert het begin van de
arbeidsongeschiktheid, of, in voorkomend geval, sedert de datum waarop de
opzegging is beginnen te lopen.
De
periodes van verlof of van arbeidsonderbreking, vastgesteld in artikel 39 van de
arbeidswet van 16 maart 1971 worden niet meegerekend voor de berekening der zes
maanden.
Art.
61.- Als de overeenkomst een beding van proeftijd bevat, mag de werkgever bij
arbeidsongeschiktheid wegens ziekte of ongeval, die meer dan zeven dagen duurt,
de overeenkomst gedurende de proeftijd zonder vergoeding beëindigen.
Hetzelfde
geldt voor de arbeidsovereenkomst voor een bepaalde tijd van minder dan drie
maanden of voor een duidelijk omschreven werk waarvan de uitvoering normaal een
tewerkstelling van minder dan drie maanden vergt.
Art.
62.- Indien de arbeidsongeschiktheid ten gevolge van ziekte of ongeval van de
werknemer aangeworven voor een bepaalde tijd van ten minste drie maanden of voor
een duidelijk omschreven werk waarvan de uitvoering normaal een tewerkstelling
van ten minste drie maanden vergt, zes maanden overtreft en indien de bij de
overeenkomst vastgestelde tijd niet is verstreken of indien het werk dat het
voorwerp van de overeenkomst uitmaakt niet werd verwezenlijkt, dan kan de
werkgever te allen tijde aan de overeenkomst een einde maken mits vergoeding.
Deze is gelijk aan het loon dat nog moest worden uitbetaald tijdens de
overeengekomen tijd of tijdens de termijn die nog nodig is voor de
verwezenlijking van het werk waarvoor de werknemer werd aangeworven met een
maximum van drie maanden loon en onder aftrek van hetgeen betaald werd sedert
het begin van de arbeidsongeschiktheid.
Art.
63.- § 1. Onverminderd de toepassing van artikel 61, kan de overeenkomst
tijdens de proeftijd zonder dringende reden niet eenzijdig worden beëindigd dan
met inachtneming van een opzeggingstermijn van zeven dagen, waarvan kennis wordt
gegeven in de vorm bepaald in artikel 37, § 1, tweede tot vierde lid. Wanneer
een dergelijke opzegging tijdens de eerste maand wordt gegeven, dan heeft de beëindiging
ten vroegste op de laatste dag van deze maand uitwerking.
§
2. De partij die de overeenkomst beëindigt zonder dringende reden of zonder
inachtneming van de opzeggingstermijn gesteld in § 1, is gehouden de andere
partij een vergoeding te betalen die gelijk is aan het lopend loon en de
voordelen verworven krachtens overeenkomst, overeenstemmend hetzij met de duur
van de opzeggingstermijn, hetzij met het resterende gedeelte van die termijn.
Wanneer
die beëindigd gebeurt tijdens de eerste maand van de proeftijd dan is de
vergoeding gelijk aan het lopend loon en de voordelen verworven krachtens
overeenkomst, overeenstemmend met het resterende gedeelte van die maand
vermeerderd met de duur van de opzeggingstermijn.
Art.
64.- De bij artikel 37 bepaalde opzeggingstermijn begint te lopen op de eerste
dag van de maand volgend op die waarin kennis van de opzegging is gegeven.
Art.
65.- § 1. De opzeggingstermijn die door de werkgever in acht genomen moet
worden, bedraagt minimum drie maanden. Deze termijn wordt vermeerderd met:
-
een maand indien de werknemer minstens tien jaar dienst heeft bij
dezelfde werkgever;
-
twee maanden indien de werknemer minstens vijftien jaar dienst heeft bij
dezelfde werkgever;
-
drie maanden indien de werknemer minstens twintig jaar dienst heeft bij
dezelfde werknemer.
Indien
de opzegging wordt gegeven door de werknemer worden de hogergenoemde termijnen
van opzegging tot de helft teruggebracht zonder dat ze twee maanden mogen
overschrijden.
§
2. De opzeggingstermijnen moeten berekend worden volgens de verworven anciënniteit
op het ogenblik dat de opzegging ingaat.
Art.
66.- In geval van beëindiging van een arbeidsovereenkomst van onbepaalde tijd
door de werkgever is deze laatste aan de werknemer een ontslagvergoeding
verschuldigd die gelijk is aan een vierde van het maandloon per jaar dienst. De
maximale ontslagvergoeding bedraagt ten hoogste zes maandlonen.
Art.
67.- § 1. De werkgever kan de bij artikel 66 bedoelde ontslagvergoeding in
maandtermijnen betalen, wanneer het ontslag wordt gegeven door een onderneming
in moeilijkheden of die uitzonderlijk ongunstige economische omstandigheden
kent.
De
Koning bepaalt bij in Ministerraad overlegd besluit, na advies van de Nationale
Arbeidsraad, wat moet worden verstaan onder onderneming in moeilijkheden of die
uitzonderlijk ongunstige economische omstandigheden kent.
§
2. De ontslagvergoeding die in maandtermijnen wordt betaald, is gebonden aan de
evolutie van het indexcijfer van de consumptieprijzen volgens dezelfde
modaliteiten als die welke van toepassing waren op het loon van de werknemer
wiens overeenkomst een einde heeft genomen.
Art.
68.- § 1. Is de overeenkomst voor bepaalde tijd of voor een duidelijk
omschreven werk aangegaan, dan is de partij die de overeenkomst beëindigd
zonder dringende reden vóór het verstrijken van de termijn, gehouden de andere
partij een vergoeding te betalen, die gelijk is aan het bedrag van het loon dat
verschuldigd is tot het bereiken van die termijn, zonder echter het dubbel te
mogen overtreffen van het loon dat overeenstemt met de duur van de
opzeggingstermijn, die in acht had moeten worden genomen, indien de overeenkomst
zonder tijdsbepaling was gesloten. In geval het initiatief tot voortijdige beëindiging
van de arbeidsovereenkomst uitgaat van de werknemer, kan de door hem
verschuldigde vergoeding nooit meer zijn dan een bedrag gelijk aan 2 maanden
loon.
§
2. Onverminderd het bepaalde in § 1, betaalt de werkgever die het bepaalde in
artikel 40 van de arbeidswet van 16 maart 1971 niet in acht neemt, de in het
derde lid van voormeld artikel 40 voorziene vergoeding.
Art.
69.- Indien het ontslag gegeven wordt om aan de voor onbepaalde tijd gesloten
overeenkomst een einde te maken vanaf de eerste dag van de maand volgend op de
maand waarin de werknemer de wettelijke pensioengerechtigde leeftijd bereikt,
wordt de opzeggingstermijn in afwijking van artikel 64 vastgesteld op zes
maanden wanneer het ontslag van de werkgever uitgaat. Deze opzeggingstermijn
bedraagt drie maanden wanneer het ontslag van de werknemer uitgaat.
Art.
70.- Van het recht om van het werk weg te blijven, zoals bepaald in artikel 41,
mag een- of tweemaal per week gebruik worden gemaakt, mits de duur van de
afwezigheid in totaal die van een arbeidsdag per week niet overschrijdt.
Art.
71.-De werknemer die door zijn werkgever opgezegd is overeenkomstig het bepaalde
in artikel 65, kan aan de overeenkomst een einde maken mits een verkorte
opzeggingstermijn, wanneer hij een andere dienstbetrekking heeft gevonden.
Van
deze opzegging wordt kennis gegeven in de vorm bepaald in artikel 37, § 1,
tweede tot vierde lid.
Niettegenstaande
elk strijdig beding bedraagt deze opzeggingstermijn een maand.
Art.
72.-§ 1. Onder concurrentiebeding wordt verstaan het beding waarbij de
werknemer de verbintenis aangaat bij zijn vertrek uit de onderneming geen
soortgelijke activiteiten uit te oefenen, hetzij door zelf een onderneming uit
te baten, hetzij door in dienst te treden bij een concurrerende werkgever,
waardoor hij de mogelijkheid heeft de onderneming, die hij heeft verlaten,
nadeel te berokkenen door de kennis, die eigen is aan die onderneming en die hij
op industrieel of op handelsgebied in die onderneming heeft verworven, voor
zichzelf of ten voordele van een concurrerende onderneming aan te wenden.
§
2. Het concurrentiebeding kan rechtsgeldig in de arbeidsovereenkomsten worden
ingeschreven, behalve voor de categorieën van functies of voor de functies die
bij een in paritair comité of paritair subcomité gesloten collectieve
arbeidsovereenkomst zijn uitgesloten. Bij ontstentenis van bij vorengenoemde
paritaire organen gesloten overeenkomst en na mislukking van de
verzoeningsprocedure, kunnen deze categorieën van functies of deze functies
worden vastgesteld op ondernemingsniveau volgens de in § 2, tweede en derde
lid, van onderhavig artikel bepaalde procedure.
De
geldigheid van elk concurrentiebeding is bovendien ondergeschikt aan de
navolgende voorwaarden :
1° het moet betrekking hebben op soortgelijke activiteiten;
2° het moet geografisch worden beperkt tot de plaatsen waar
de werknemer de werkgever werkelijk concurrentie kan aandoen, gelet op de aard
van de onderneming en haar actieradius. Het mag niet verder reiken dan 's lands
grondgebied;
3° het mag niet langer lopen dan twaalf maanden vanaf de dag
dat de dienstbetrekking een einde heeft genomen;
4° het moet voorzien in de betaling van een enige en
forfaitaire compensatoire vergoeding door de werkgever, tenzij hij binnen een
termijn van vijftien dagen te rekenen vanaf het ogenblik van de stopzetting van
de overeenkomst afziet van de werkelijke toepassing van het concurrentiebeding.
Het
minimumbedrag van die vergoeding is gelijk aan de helft van het brutoloon van de
werknemer dat overeenstemt met de toepassingsduur van het beding. De basis van
dat bedrag wordt gevormd door het brutoloon dat de werknemer heeft ontvangen
gedurende de maand voorafgaand aan de dag waarop de dienstbetrekking een einde
heeft genomen.
Voor
de werknemers met een geheel of gedeeltelijk veranderlijk loon wordt dat bedrag
voor het veranderlijke gedeelte berekend op het gemiddelde brutoloon van de
twaalf maanden die de dag van de beëindiging van de overeenkomst voorafgaan.
Het
beding moet, op straffe van nietigheid, worden vastgelegd in een geschrift dat
de toepassingsmodaliteiten van de hierboven opgesomde voorwaarden bepaalt. De
paritaire comités of de paritaire subcomités kunnen deze modaliteiten nader
bepalen in het licht van de voorwaarden die eigen zijn aan hun bedrijfstak.
Het
beding dat aan de bepalingen van onderhavig artikel voldoet, heeft geen
uitwerking wanneer aan de overeenkomst een einde wordt gemaakt, ofwel tijdens de
proefperiode, ofwel na deze periode door de werkgever zonder dringende reden of
door de werknemer om dringende reden.
Indien
de werknemer het concurrentiebeding overtreedt, is hij ertoe gehouden aan de
werkgever het bedrag terug te storten dat deze laatste ter toepassing van het in
§ 2, tweede lid, 4°, van onderhavig artikel neergelegde beginsel heeft
uitgekeerd en hij zal hem daarenboven een gelijkwaardig bedrag moeten betalen.
Op verzoek van de werknemer kan de rechter evenwel het bedrag van de
conventioneel vastgestelde vergoeding verminderen, inzonderheid rekening houdend
met de veroorzaakte schade en met de werkelijke duur van de periode tijdens
welke het beding werd nagekomen. De rechter kan eveneens, op verzoek van de
werkgever een hogere schadeloosstelling toewijzen, onder de verplichting het
bewijs te leveren van het bestaan en de omvang van de schade.
§3.
Wat de hierna bedoelde ondernemingen en werknemers betreft, kan, in de vormen en
onder de voorwaarden vastgesteld in een in de schoot van de Nationale
Arbeidsraad afgesloten overeenkomst worden afgeweken van het bepaalde in § 2,
tweede lid, 2° en 3°, alsook van het bepaalde in § 2, zesde lid, van
hetzelfde artikel, in zoverre daarin voorzien wordt dat het beding geen
uitwerking heeft wanneer aan de overeenkomst een einde wordt gemaakt, ofwel
tijdens de proefperiode ofwel na deze periode door de werkgever zonder dringende
reden. Deze afwijkingen geven recht op het betalen van een vergoeding door de
werkgever tenzij hij aan de effectieve toepassing van het concurrentiebeding
verzaakt.
De ondernemingen waarop dit afwijkingsbeding kan worden
toegepast zijn die welke beantwoorden aan een van de twee of aan de twee
navolgende voorwaarden :
1° een internationaal activiteitsveld hebben of belangrijke
economische, technische of financiële belangen hebben op de internationale
markten;
2° over een eigen dienst voor onderzoek beschikken.
In deze ondernemingen kan het afwijkingsbeding worden
toegepast op de werknemers die zijn tewerkgesteld aan werken die hen
rechtstreeks of onrechtstreeks in staat stellen kennis te verkrijgen van
praktijken die eigen zijn aan de onderneming en waarvan het benutten, buiten de
onderneming, voor deze laatste nadelig kan zijn.”
Artikel
9
Titel
IV van dezelfde wet, bestaande uit de artikelen 87 tot 107, wordt Titel V,
bestaande uit de artikelen 73 tot 93, met dien verstande dat:
A.
in het hernummerde artikel 73 de woorden “Titel III” worden vervangen
door de woorden “Titel II” en de woorden “artikel 86” worden vervangen
door de woorden “artikel 72”;
B.
in het hernummerde artikel 74 de woorden “artikel 90” worden
vervangen door de woorden “artikel 76”;
C.
in het hernummerde artikel 77 de woorden “onverminderd de bepalingen
van de artikelen 71 tot 74 en 77” worden vervangen door de woorden
“onverminderd de bepalingen van Titel II in verband met de loonregeling bij
schorsing van de uitvoering van de overeenkomst”;
D.
in het hernummerde artikel 78 de woorden “artikel 91” worden
vervangen door de woorden “artikel 77”;
E.
in het hernummerde artikel 81 de woorden “de bepalingen van de
artikelen 91, 92, 93, tweede lid, en 94” worden vervangen door de woorden
“de bepalingen van de artikelen 77, 78, 79, tweede lid en 80”;
F.
in het hernummerde artikel 84 de woorden “artikel 97” worden
vervangen door de woorden “artikel 83”;
G.
in het hernummerde artikel 85, tweede lid, de woorden “de artikelen 91
en 93, tweede lid” worden vervangen door de woorden “de artikelen 77 en 79,
tweede lid” en in het derde lid, de woorden “de artikelen 92 en 94” worden
vervangen door de woorden “de artikelen 78 en 80”;
H.
in het hernummerde artikel 88 de woorden “de artikelen 39 en 40”
worden vervangen door de woorden “artikel 68”;
I.
in het hernummerde artikel 89 de woorden “artikel 101” worden
vervangen door de woorden “artikel 87”.
Artikel
10
Titel
V van dezelfde wet, bestaande uit de artikelen 108 tot 118, wordt Titel IV,
bestaande uit de artikelen 94 tot 104, met dien verstande dat:
A.
in het hernummerde artikel 99 de woorden “artikel 112” worden
vervangen door de woorden “artikel 98”;
B.
in het hernummerde artikel 100, eerste lid, de woorden “onverminderd de
bepalingen van de artikelen 112, 116 en 117” worden vervangen door de woorden
“onverminderd de bepalingen van de artikelen 98, 102 en 103”;
C.
in het hernummerde artikel 101 de woorden “de bepalingen van de
artikelen 59 en 64, eerste lid” worden vervangen door de woorden “de
bepalingen van de artikelen 65 en 70”;
D.
in het hernummerde artikel 103 de woorden “artikel 112” worden
vervangen door de woorden “artikel 98”.
Artikel
11
Titel
VI. van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 6 december 1996, met het
opschrift “De overeenkomst voor tewerkstelling van huisarbeiders” en
bestaande uit de artikelen 119.1 tot 119.12, wordt Titel V, met het opschrift
“De tewerkstelling van huiswerknemers” en bestaande uit de artikelen 105 tot
116.
Artikel
12
In
het hernummerde artikel 105 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 6
december 1996, wordt de tweede zin geschrapt.
Artikel
13
In
het hernummerde artikel 106 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 6
december 1996, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
A.
paragraaf 1 wordt vervangen als volgt:
“§
1. Voor zover er in deze titel niet wordt van afgeweken, zijn op de overeenkomst
voor de tewerkstelling van huiswerknemers de bepalingen betreffende de
arbeidsovereenkomst voor werknemers van toepassing.”;
B.
in § 2 worden de woorden “werklieden en bedienden” vervangen door
het woord “werknemers”;
C.
in § 2 worden de woorden “de artikelen 119.4 en 119.5” vervangen
door de woorden “de artikelen 108 en 109”.
Artikel
14
In
het hernummerde artikel 107, ingevoegd bij de wet van 6 december 1996, wordt het
woord “huisarbeider” vervangen door het woord “huiswerknemer”.
Artikel
15
In
het hernummerde artikel 108, ingevoegd bij de wet van 6 december 1996, wordt het
woord “huisarbeiders” vervangen door het woord “huiswerknemers” en het
woord “huisarbeider” wordt vervangen door het woord “huiswerknemer”.
Artikel
16
In
het hernummerde artikel 109, ingevoegd bij de wet van 6 december 1996, worden de
volgende wijzigingen aangebracht:
A.
de woorden “artikel 119.4” worden vervangen door de woorden
“artikel 108”;
B.
het woord “huisarbeider” wordt vervangen door het woord “huiswerknemer”.
Artikel
17
in
het hernummerde artikel 110, ingevoegd bij de wet van 6 december 1996, worden de
woorden “artikel 119.4, § 2, 4°” vervangen door de woorden “artikel 108,
§ 2, 4°”.
Artikel
18
In
het hernummerde artikel 111, ingevoegd bij de wet van 6 december 1996, wordt het
woord “huisarbeiders” vervangen door het woord “huiswerknemers”.
Artikel
19
In
het hernummerde artikel 113, ingevoegd bij de wet van 6 december 1996, wordt het
woord “huisarbeider” vervangen door het woord “huiswerknemer”.
Artikel
20
In
het hernummerde artikel 114, ingevoegd bij de wet van 6 december 1996, worden de
volgende wijzigingen aangebracht:
A.
paragraaf 1 wordt opgeheven.
B.
in § 2 worden de woorden “artikel 56” vervangen door de woorden “artikel
57”;
C.
in § 2 worden de woorden “de artikelen 51, 52, 54 en 55” vervangen door de
woorden “de artikelen 51, 53, 55 en 56”
Artikel
21
In
het hernummerde artikel 115, ingevoegd bij de wet van 6 december 1996, wordt het
woord “huisarbeider” vervangen door het woord “huiswerknemer”
Artikel
22
In
het hernummerde artikel 116, ingevoegd bij de wet van 6 december 1996, worden de
volgende wijzigingen aangebracht:
A.
paragraaf 1 wordt opgeheven;
B.
in § 2 worden de woorden “de artikelen 70, 71 en 73” vervangen door
de woorden “de artikelen 53 en 55”
C.
in § 2 wordt het woord “huisarbeider” vervangen door het woord
“huiswerknemer”.
Artikel
23
Titel
VII van dezelfde wet, bestaande uit de artikelen 120 tot 130 ter, wordt Titel
VI, met dien verstande dat:
A.
de artikelen 120 tot 126, de artikelen 117 tot 123 worden;
B.
in het hernummerde artikel 121 de woorden “artikel 123” worden
vervangen door de woorden “artikel 120”;
C.
in het hernummerde artikel 122, eerste lid, de woorden “ artikel 123”
worden vervangen door de woorden “artikel 120”;
D.
in het hernummerde artikel 123, de woorden “de artikelen 123 en 124”
worden vervangen door de woorden “de artikelen 120 en 121”
E.
het huidige artikel 127 wordt opgeheven;
F.
de artikelen 128 tot 130ter, de artikelen 124 tot 128 worden.
Artikel
24
In
het hernummerde artikel 118 worden de woorden “een arbeidsovereenkomst voor
werklieden, een arbeidsovereenkomst voor bedienden” vervangen door de woorden
“een arbeidsovereenkomst voor werknemers”.
Artikel
25
Het
hernummerde artikel 126, derde lid, wordt vervangen als volgt:
“De
bepalingen van artikel 37 gelden voor de bij het tweede lid bedoelde
opzeggingstermijn. Deze opzeggingstermijn gaat in de maandag volgend op de week
waarin de opzeggingstermijn bekend werd.”
Artikel
26
Titel
VIII van dezelfde wet, bestaande uit de artikelen 131 tot 137 wordt Titel VII,
bestaande uit de artikelen 129 tot 135, met dien verstande dat in het
hernummerde artikel 129 de woorden “de artikelen 65, 67, 69, 82, 84, 85 en
104” telkens worden vervangen door de woorden “het artikel 92”
HOOFDSTUK
III: WIJZIGING VAN HET KONINKLIJK BESLUIT VAN 28 NOVEMBER 1969 TOT UITVOERING
VAN DE WET VAN 27 JUNI 1969 TOT HERZIENING VAN DE BESLUITWET VAN 28 DECEMBER
1944 BETREFFENDE DE MAATSCHAPPELIJKE ZEKERHEID DER ARBEIDERS
Artikel
27
Artikel
19, § 2, 2°, a), van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot
uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28
december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der werknemers, laatst
gewijzigd bij het koninklijk besluit van 5 oktober 1999, wordt vervangen als
volgt:
“a)
de vergoedingen wegens beëindiging van de dienstbetrekking voor bepaalde tijd
of voor een duidelijk omschreven werk wegens beëindiging voor afloop van de
termijn of de voltooiing van het werk;”
HOOFDSTUK
IV: WIJZIGING VAN HET WETBOEK VAN DE INKOMSTENBELASTINGEN 1992
Artikel
28
Artikel
31, tweede lid, 3°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, laatst
gewijzigd door de wet van 4 mei 1999wordt aangevuld als volgt: “met
uitzondering van de in artikel 66 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de
arbeidsovereenkomsten bedoelde ontslagvergoeding”.
HOOFDSTUK
V: WIJZIGING VAN DE GECOORDINEERDE WET VAN 14 JULI 1994 BETREFFENDE DE
VERPLICHTE VERZEKERING VOOR GENEESKUNDIGE VERZORGING EN UITKERINGEN
Artikel
29
Artikel
87, tweede lid, van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 betreffende de
verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, vervangen
bij het koninklijk besluit van 13 november 1996, wordt vervangen als volgt:
“Het
recht op de primaire ongeschiktheidsuitkering ontstaat voor werknemers wier
arbeidsovereenkomst geregeld wordt door de wet van 3 juli 1978 betreffende de
arbeidsovereenkomsten, pas vanaf de eenendertigste dag van de
arbeidsongeschiktheid. Voor de gerechtigden die personen ten laste hebben of die
de voorwaarden vervullen van verlies van enig inkomen overeenkomstig artikel 93
mag de hoegrootheid van de uitkering niet lager zijn dat 60 pct. van het
gederfde loon.”
HOOFDSTUK
VI: WIJZIGING VAN DE WET VAN 12 APRIL 1965 BETREFFENDE DE BESCHERMING VAN HET
LOON DER WERKNEMERS
Artikel
30
Artikel
9 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der
werknemers, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 1 maart 1971 en de wet van
27 juni 1981, wordt vervangen als volgt:
“Art.
9.- Het loon moet ten minste om de maand worden uitbetaald behalve wat betreft:
1°
het commissieloon voor de handelsvertegenwoordigers, uitbetaald volgens de
bepalingen van Titel III van de wet van 3 juli 1978 betreffende de
arbeidsovereenkomsten;
2°
het commissieloon van andere werknemers dan de handelsvertegenwoordigers, dat
ten minste om de drie maanden moet worden uitbetaald;
3°
de aandelen in de winst en andere gelijksoortige prestaties, waarvan de betaling
geschiedt overeenkomstig het akkoord tussen partijen, het arbeidsreglement of
enig ander vigerend reglement.
Van
het bepaalde in het eerste lid kan worden afgeweken bij beslissing van het
bevoegd paritair comité die door de Koning algemeen verbindend wordt verklaard.
Onverminderd
het bepaalde in het eerste lid, moet het loon worden uitbetaald op de
tijdstippen en binnen de termijnen die worden bepaald door een collectieve
arbeidsovereenkomst.
Bij
ontstentenis van een collectieve arbeidsovereenkomst, moet het loon worden
uitbetaald op de tijdstippen en binnen de termijnen die zijn vastgesteld in het
arbeidsreglement of in enig ander vigerend reglement; de bepalingen van deze
reglementen mogen de datum van uitbetaling van het loon niet later vaststellen
dan de zevende werkdag na de arbeidsperiode waarvoor de uitbetaling geschiedt.
Bij
ontstentenis van een collectieve arbeidsovereenkomst of van bepalingen in het
arbeidsreglement of in enig ander vigerend reglement, moet het loon uiterlijk
worden uitbetaald op de vierde werkdag na de arbeidsperiode waarvoor de
uitbetaling geschiedt.”
HOOFDSTUK
VII: WIJZIGING VAN HET GERECHTELIJK WETBOEK
Artikel
31
In
artikel 81 van het Gerechtelijk Wetboek, laatst gewijzigd bij de wet van 7 mei
1999, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
A.
het derde en het vierde lid worden opgeheven;
B.
in het vijfde lid worden de woorden “de artikelen 578, 4°, 5°, 6°, 8°en
10°” vervangen door de woorden “de artikelen 578, 1°, 2°, 3°, 4°, 5°,
6°, 7°, 8° en 10”
Artikel
32
In
artikel 104 van het Gerechtelijk Wetboek, laatst gewijzigd bij de wet van 7 mei
1999, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
A.
het tweede en het derde lid worden opgeheven;
B.
in het vierde lid worden de woorden “de artikelen 578, 4°, 5°, 6°, 8°en
10°” vervangen door de woorden “de artikelen 578, 1°, 2°, 3°, 4°, 5°,
6°, 7°, 8° en 10”.
HOOFDSTUK
VIII: WIJZIGING VAN DE WET VAN 20 SEPTEMBER 1948 HOUDENDE ORGANISATIE VAN HET
BEDRIJFSLEVEN
Artikel
33
In
artikel 20 van de wet van 20 september 1948houdende organisatie van het
bedrijfsleven, laatst gewijzigd bij de wet van 7 juli 1994, worden de volgende
wijzigingen aangebracht:
A.
in het tweede lid worden de woorden “werklieden, bedienden” vervangen
door het woord “werknemer”;
B.
in het vijfde lid worden de woorden “werklieden, bedienden” vervangen
door het woord “werknemer”;
C.
het zevende lid wordt opgeheven;
D.
in het achtste lid wordt het woord “eveneens” geschrapt;
E.
in het negende lid worden de tweede en de derde zin geschrapt.
HOOFDSTUK
IX: OVERGANGSBEPALING
Artikel
34
De
bepalingen van deze wet zijn van toepassing op de lopende overeenkomsten.
Bedienden
die op het ogenblik van de afkondiging van deze wet een anciënniteit hebben van
10 jaar bij dezelfde werkgever kunnen er uitdrukkelijk voor opteren dat het
opgeheven artikel 82, §§2 en 3, op hen van toepassing blijft in zoverre het
ontslag door de werkgever betreft. De bedienden dienen hun keuze kenbaar te
maken binnen een periode van twee maanden na het verschijnen van deze wet in het
Belgisch Staatsblad.
De
bedienden kunnen hun keuze kenbaar maken door afgifte aan de werkgever van een
geschrift. De handtekening van de werkgever op het duplicaat van dit geschrift
geldt enkel als bericht van de ontvangst van de kennisgeving. De kennisgeving
kan ook geschieden hetzij bij een ter post aangetekende brief die uitwerking
heeft de derde werkdag na de datum van verzending; hetzij bij
gerechtsdeurwaardersexploot.
Vincent
VAN QUICKENBORNE
Jean-Marie
DEDECKER
[1] Engels C., “Het onderscheid werkman/bediende, een ongrondwettige discriminatie in strijd met de artikelen 6 en 6bis van de Belgische Grondwet", R.W., 1991-1992, nr.22, 1 februari 1992, p. 736.
[2] Gedr.stukken Kamer, (1968-1969), 270, nr. 7, p. 12.
[3]
Blanpain, R., “Voorstel van
wet tot wijziging van de wet van 3 juli 1978 betreffende de
arbeidsovereenkomsten”, 5 augustus 1988, Gedr.
Stukken,
B.Z. 1988, 411-1.
[4]
De Keyser Ph., “Ouvrier et employé: une distinction contraire au principe
d’égalité?", Journal des
procès,
19 maart 1993, nr.
235.
[5]
Pasinomie, 1909-1910, 15 mei 1910, nr. 182, p.459.
[6] Engels C., “De toenadering van de statuten van werkman en bediende en de ontgrondwettelijkheid van het nog bestaande onderscheid", Oriëntatie,1, januari 1992, p. 13.
[7] Cuypers D., “Het onderscheid tussen werklieden en bedienden”, Oriëntatie 3, maart 1991, p. 57.
[8] Blanpain R., “Sire, zijn er nog domme werknemers in ons land, klaaglied voor een werkman”, Brugge, die Keure, 2001, p.21.
[9] Peltzer L. en Van Wassenhove S., “Illégalité de la convention collective de travail n° 75 relative aux délais de préavis des ouvriers?”, Soc. Kron., 2001, 7-11.
[10] Blanpain, R., “Sire, zijn er nog domme werknemers in ons land, klaaglied voor een werkman”, o.c., p.22.
[11] Engels, C., “Het onderscheid werkman/bediende, een ongrondwettige discriminatie in strijd met de artikelen 6 en 6bis van de Belgische Grondwet, o.c., p. 732.
[12] De Broeck G., “De wet van 3 juli 1978 en de toenadering van de statuten van werkman en bediende”, in Handleiding bij de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, analyse en commentaar, Antwerpen, Kluwer, 1979, 9.
[13] Tegenbos G., “Arbeider wordt haast nooit bediende”, De Standaard, 27 augustus 2001.
[14] www.cevora.be
[15] Senaat, Parlementaire handelingen, zitting 1972-1973/I, p. 326.
[16] Cuypers D., “Het onderscheid tussen werklieden en bedienden”, oc., p. 57.
[17] Arbeidsrechtbank Brussel, 12 november 1986, Rechtspr. Arb.Br. 1987, 39.
[18] Arbeidsrechtbank Brussel, 12 november 1986, Rechtspr. Arb.Br. 1987, 39.
[19] Arbeidshof Antwerpen, 19 augustus 1983, R.W., 1983-84, 1818.
[20] Arbeidshof Antwerpen, 19 december 1977, T.S.R., 1978, 286.
[21] Engels, C., “De statuten van werkman en bediende: een juridische benadering”, in Birk R. en Blanpain R., Statuut werkman-bediende. Arbeidsrechterlijke en sociologische kanttekeningen, Die Keure, Brugge, 1992.
[22]
Heyden, X., “Le critère de distinction entre employés et ouvriers dans
la loi du 3 juillet 1978”, J.T.T., 20 januari 1993, pp. 17-24.
[23]
François L., “La distinction entre entre employés et ouvriers en droit
allemand, belge, français et italien”, Faculté
de.droit de Liège en Martinus Nijhoff, Den Haag, 1963, p.266.
[24] Engels, C., “Het onderscheid werkman/bediende, een ongrondwettige discriminatie in strijd met de artikelen 6 en 6bis van de Belgische Grondwet, o.c., p. 741.
[25] Arbritragehof, nr. 56/93, 8 juli 1993, R.W., 1993-94, 322.
[26] Arbitragehof, nr. 84/2001, 21 juni 2001, R.W., 2001-2002, 271, noot M. De Vos.
[27] M. De Vos, “De grondwettigheid van het onderscheid tussen arbeiders en bedienden: het Arbitragehof volhardt in de boosheid”, noot onder Arbitragehof, 21 juni 2001, R.W., 2001-2002, 274.
[28]
M. De Vos, l.c., R.W., 2001-2002,
274-275.
[29] Herck N., “Arbeiders kunnen bij ontslag iets vrijer ademen”, Kijk uit, maart 2000, pp. 19-21.
[30] Fonck G., “Hoe lang duurt de schande nog”, Het laatste Nieuws, 13 maart 2001.
[31] Desmet Y.,” Sterft, gij oude vormen en gedachten”, De Morgen, 13 maart 2001.
[32]
Schrooten R., “Verschil
tussen arbeider en bediende blijft belediging voor arbeiders”, Financieel-Economische
Tijd, 8 augustus 2001.
[33] Tegenbos G., “Statuten zijn taaie structuren in België”, De Standaard, 27 augustus 2001.
[34] Blanpain R., “Gelijke behandeling : twee opmerkelijke arresten van het Hof van Justitie en het Arbitragehof”, Tijdschrift voor Sociaal Recht, maart 1993, p. 328.