Vewa - Vereniging van Educatieve en Wetenschappelijke Auteurs

Coöperatieve Vennootschap met Beperkte Aansprakelijkheid

www.cer-leuven.be/cerleuven/Vewa

          
Contact          

    Leenrecht: Definitieve tekst KB Leenrecht van 25 april 2004

    Leenrecht


    Afdeling I. Een wettelijke licentie

    In beginsel heeft de auteur het exclusieve recht om exemplaren van zijn werk openbaar uit te lenen. Artikel 23 van de auteurswet van 1994 voorziet evenwel een wettelijke toelating tot uitlenen van “werken van letterkunde, databanken, fotografische werken, partituren van muziekwerken, geluidswerken en audiovisuele werken”. De auteur kan die niet “verbieden wanneer die uitlening geschiedt met een educatief of cultureel doel door instellingen die daartoe door de overheid officieel zijn erkend of opgericht”. Een en ander overeenkomstig een Europese richtlijn van 19 november 1992 betreffende het uitleenrecht(1). Tegenover die verplichte openbare uitlening staat een vergoeding.

    België kwam schromelijk te kort aan deze laatste verplichting, alhoewel reeds voorzien in de wet van 1994. Het is VEWA die de kat aan de bel bond en ten slotte, na eindeloze onderhandelingen, klacht neerlegde bij de Europese Commissie, waarop België in 2003(2) door het Europese Hof van Justitie te Luxemburg veroordeeld werd omdat het de richtlijn van 1992 inzake leenrecht nog steeds niet had omgezet.

    Met 10 jaar vertraging, veroordeeld en bevreesd voor een mogelijke Europese dwangsom, haastte België zich dan ook om een regeling betreffende het leenrecht uit te werken. Dit geschiedde bij wijze van K.B van 25 april 2004(3).

    Afdeling II De huidige regeling

    De voornaamste elementen van het Belgische leenrecht zien er nu uit als volgt:

    1. De jaarlijkse vergoeding bedraagt 1 Euro per volwassen persoon ingeschreven in de uitleeninstellingen en 0,5 Euro per minderjarig persoon. De Gemeenschappen kunnen beslissen de betaling van die vergoeding op zich te nemen.

    2. Worden vrijgesteld van het betalen van een leenvergoeding:
    * de onderwijsinstellingen;
    * de wetenschappelijke onderzoeksinstellingen;
    * de instellingen van blinden, slechtzienden, doven en slechthorenden.

    3. raadpleging ter plaatse is geen uitlening in de zin van het K.B.

    Deze Belgische regeling voldoet niet aan de vereisten van de Europese richtlijn inzake het leenrecht. Vooreerst het bedrag is belachelijk laag. En de sommen, die aan de auteurs voor leenrecht uitgekeerd zijn, zijn dan ook in verhouding. Het Belgische K.B. schiet ook tekort door het uitsluiten van de onderwijsinstellingen en de wetenschappelijke onderzoeksinstellingen. Hier betalen de wetenschappelijke en educatieve auteurs het gelag. Ten derde, ook het begrip “uitlenen” klopt niet. In de aanhef van het Belgische K.B. luidt het alsvolgt: “Overwegende dat vanuit een zorg van rechtszekerheid dient herinnerd te worden dat het begrip van "uitlening" bepaalde vormen van ter beschikking stellen niet omvat, zoals …het ter beschikking stellen voor raadpleging ter plaatse”.

    Deze beperkende interpretatie van het begrip uitlening is strijdig met de tekst van de richtlijn van 1992, waarbij bepaald wordt dat in de richtlijn onder “uitlening“ wordt verstaan: “het voor gebruik ter beschikking stellen voor een beperkte tijd en zonder direct of indirect economisch voordeel, indien dit plaats vindt via voor het publiek toegankelijke instellingen (Art. 1, 3).

    Ook al wordt in de considerans tot de richtlijn ook een beperkende interpretatie van gegeven4. Een considerans kan niet ingaan tegen de duidelijke bewoordingen van de richtlijn. Het gaat zowel over lenen als het ter plaatse raadplegen.

    Tot slot, de driestappentoets. Deze toets (WIPO-akkoorden) bepaalt dat uitzonderingen op het auteursrecht slechts toegestaan zijn als er tegelijk aan drie voorwaarden is voldaan:
    • afwijkingen kunnen slechts in wel bepaalde uitzonderlijke situaties;
    • ze mogen geen afbreuk doen aan de normale exploitatie van het werk;
    • en ze mogen de wettige belangen van de rechthebbenden niet onredelijk schaden.

    Het is evident dat de driestappentoets op het stuk van leenrecht niet wordt nageleefd. Inderdaad: op zijn minst kan men zeggen dat de wettige belangen van de auteurs zeer zwaar geschaad worden.

    Kortom, België schiet zeer zwaar tekort. De vergoeding, die aan de auteurs wordt uitgekeerd, is niet passend, de uitsluiting van het onderwijs en de wetenschap is onverantwoord als niet “eng” en veel te ruim en ook het begrip uitlening is ontoereikend.

    Deze punten werden bij wijze van prejudicieel geschil voorgelegd aan het Europese Hof van Justitie, ingevolge procedures, die tegen het K.B. door VEWA aanhangig zijn gemaakt bij zowel de Raad van State als de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel. Ook hier draait de juridische molen echter zeer langzaam.

    Afdeling III. Inning en verdeling

    De desbetreffende magere leengelden worden door Reprobel geïnd en doorgestort aan de beheersvennootschappen, waaronder VEWA, aan rato van 70% voor de auteurs en 30% voor de uitgevers, die deze verder aan hun leden overmaken.
    De wijze van verdeling van het leenrecht wordt jaarlijks door de Raad van Bestuur bepaald.

    (1) Deze richtlijn werd vervangen door de richtlijn 2006/15 van 12 december 2006.
    (2) Arrest van 16 oktober 2003, Commissie/ België, C-433/02, Jurispr., 12191.
    (3) Koninklijk besluit betreffende de vergoedingsrechten voor openbare uitlening van de auteurs, vertolkende of uitvoerende kunstenaars, producenten van fonogrammen en producenten van eerste vastleggingen van films (B.S., 14-05-2004).
    (4) “Overwegende dat de begrippen „verhuur” en „uitlening” moeten worden gedefinieerd; Overwegende dat het duidelijkheidshalve wenselijk is, bepaalde vormen van ter beschikking stellen, zoals het ter beschikking stellen van fonogrammen of films (cinematografisch of audiovisueel werk of bewegende beelden, met of zonder geluid) voor publieke vertoning of uitzending, het ter beschikking stellen voor tentoonstelling of het ter beschikking stellen voor raadpleging ter plaatse, niet te beschouwen als „verhuur” of „uitlening” in de zin van deze richtlijn; dat „uitlening” in de zin van deze richtlijn niet omvat het ter beschikking stellen tussen voor het publiek toegankelijke instellingen onderling”.