Zopas kondigde Micheál Martin, de Ierse Minister voor Volksgezondheid en Kind, een rookverbod van tabak op de werkplaats af (Tobacco Smoking Prohition Regulations 2003). Het rookverbod gaat in op 26 januari 2004. Het is ook van toepassing op vliegtuigen, trein, schepen, het openbaar vervoer, restaurants en clubs en bars, voor zover er door werknemers gepresteerd wordt. Er zijn geen uitzonderingen voorzien.
De Minister verantwoordt zijn besluit als volgt: “Het doel van deze maatregel is aan de mensen toe te laten te werken en mekaar te ontmoeten in een tabaksvrije en gezonde omgeving. Niemand kan er immers nog aan twijfelen dat inademen van secundaire tabaksrook een oorzaak is van kanker, hartziektes en ademhalingsmoeilijkheden. De ventilerings-technolgie is absoluut onvoldoende om de gezondheidsrisico’s weg te nemen”.
Aldus vervoegt Ierland tal van andere landen, die een rookverbod in de onderneming uitvaardigden, zoals Australië, Duitsland, Italië, Nederland, Noorwegen? Montreal, New York..., dit in de lijn van het Verdrag inzake de strijd tegen tabak dat door de Wereldgezondheidsorganisatie op 23 mei 2003 unaniem werd goedgekeurd. België ondertekende dit Verdrag.
De vraag rijst dan ook: hoe zit het in ons land?
Het Reglement voor de Arbeidsbescherming (K.B. 1993) stelt dat de werkgever de noodzakelijke maatregelen moet nemen waarbij het rookgedrag in de onderneming wordt afgestemd op de wederzijdse verwachtingen van rokers en niet-rokers. “Deze regeling is, zo luidt het, gebaseerd op wederzijdse verdraagzaamheid, respect voor de individuele vrijheid en hoffelijkheid”.
In feite leidt dit tot een gedoogbeleid in de meeste onderneming waarbij van de niet-rokers gevraagd wordt hoffelijk te zijn en het passief roken te ondergaan met alle gezondheidsschade van dien.
Deze regeling is een letterlijke vertaling van de strategie van de tabaksondernemingen, die met lede ogen aanzien dat er rookverbod in de onderneming zou komen. De tabaksindustrie valt terug op zijn aloude campagne voor het “vrijwillig” verminderen van het roken op het werk, wederzijdse verdraagzaamheid, rokers- en niet rokerszones in de kantines en refters...Dit is ook de strategie van ons land: “in dienst van de tabaksindustrie”.
Na tien jaar Belgisch beleid in de ondernemingen weten we dat er jaarlijks 2200 mensen sterven aan passief roken, waarvan 1000 in de horeca, zonder te gewagen van de pijnlijke dood die het lot is van de longkankerslachtoffers.
Gezien de gezondheid het hoogste goed is van de werknemer en de werknemer recht heeft op een gezonde werkplaats zou men durven verhopen dat de Belgische overheid de buitenlandse voorbeelden zou volgen en een rookverbod in de ondernemingen zou afkondigen. Niets is minder waar.
Op een studiedag van FOD Werkgelegenheid van 21 oktober jl., gewijd aan “een actief rookbeleid in de onderneming” waren bepaalde leidende ambtenaren van oordeel dat een rookverbod in de onderneming te ver zou gaan; dat niet-rokers trouwens te agressief zijn en dat de rokers sociaal niet geïsoleerd mogen worden. Of nog, dat de hoffelijkheidregeling moet worden aangehouden. Passende regelingen moeten ter plaatse worden afgesproken, zo luidt het. In elk geval moest er een bijzondere ruimte zijn voor rokers. Dit niettegenstaande de vertegenwoordiger van de Staatssecretaris voor Welzijn in de richting ging van het recht op een rookvrije werkplek.
Deze leidende ambtenaren volgen blijkbaar de houding van het ABVV en het ACV, die hun leiders en leden-rokers – een grote minderheid trouwens - niet voor het hoofd willen stoten en daarenboven de horeca sector, waar het meeste doden vallen, ten allen prijs vrij willen stellen van een mogelijk recht op een rookvrije werkplaats.
Daarmede is de Belgische cirkel eens temeer rond. Waar nu reeds een gedeeltelijk rookverbod heerst, zoals in restaurants, bars e.a. wordt de wet niet nageleefd en voor de onderneming komt een rookverbod niet van de grond.
Toch zijn er hoopvolle signalen: het rookverbod in de NMBS, de aangekondigde regeling aan de KULeuven, het feit dat niet-rokers assertief worden en als meerderheid (80% van de bevolking) hun recht op gezonde lucht krachtdadig beginnen op te eisen.
Dit is echter onvoldoende. Heel wat niet-rokers durven hun stem niet te verheffen omdat hun baas rookt en ze vrezen voor hun job.
De Ministers van Volksgezondheid en van het Werk, Demotte en Vandenbroucke dienen dus hun verantwoordelijkheid te nemen en de passende K.B.’s uit te vaardigen en een rookverbod in de onderneming en alle openbare plaatsen hard te maken. Zij zijn daartoe bevoegd en dienen enkel de voorbeelden uit het buitenland op te volgen in lijn van de oproep van de Wereldgezondheidsorganisatie en de Europese Unie. Wie wil er duizenden doden op zijn geweten hebben? Waarop wachten onze Ministers?
In elk geval is het nu reeds zo dat de werkgever, die zijn werknemers in ongezonde omstandigheden laat werken verantwoordelijk is voor de gezondheidsschade, zowel burgerrechtelijk als strafrechtelijk. Deze mogelijke veroordelingen zetten heel wat werkgevers aan om een actief rookbeleid in de onderneming op te zetten en een rookverbod in te leiden. Er is echter meer nodig. De Overheid heeft de plicht ter zake duidelijke regelen uit te vaardigen en de levens van duizenden landgenoten veilig te stellen.
Roger Blanpain,
Lid van de Koninklijke Vlaamse Academie
