VLAAMSE REGERING

 

NOTA AAN DE LEDEN VAN DE VLAAMSE REGERING

 

Betreft:        Goedkeuring en machtiging tot ondertekening van de Kaderconventie inzake Tabakscontrole, opgemaakt in Genčve op 21 mei 2003

 

1.     Achtergrond en draagwijdte van de voorliggende regeringsbeslissingen

 

Het gebruik van tabak veroorzaakt momenteel wereldwijd naar schatting 4.9 miljoen doden per jaar.  Longkanker is hierbij de voornaamste doodsoorzaak, maar roken veroorzaakt ook andere kankers, ondermeer van mond- en keelholte, slokdarm, pancreas, nier en blaas.  Tabaksgebruik wordt verantwoordelijk geacht voor ongeveer 1/3 van alle kwaadaardige kankers.  Daarnaast draagt het ook bij tot de ontwikkeling van hart- en vaatziekten en longaandoeningen.  De helft van de rokers sterft aan de gevolgen van tabaksgebruik, en de gemiddelde levensverwachting van rokers is dan ook 6 tot 8 jaar korter dan deze van mensen die nooit hebben gerookt.  In geďndustrialiseerde landen maken gezondheidszorgen voor aandoeningen tengevolge van tabaksgebruik 10 % uit van de jaarlijkse globale gezondheidsfactuur.

Tabaksgebruik is de snelst groeiende doodsoorzaak, zowel in de geďndustrialiseerde wereld als in ontwikkelingslanden, en zou tegen 2020 de belangrijkste oorzaak van vroegtijdige sterfte zijn.  Verontrustend is dat het gebruik van tabak bij jongeren toeneemt, en dan vooral dat steeds meer jonge meisjes beginnen te roken.  Indien geen maatregelen worden genomen kan het aantal tabaksdoden in 2020 jaarlijks wereldwijd zelfs tien miljoen bedragen.

 

De Wereldgezondheidsorganisatie, een agentschap van de Verenigde Naties dat alle aspecten van gezondheid behandelt, erkende dit als een van de belangrijke uitdagingen op gebied van gezondheidszorg voor de 21e eeuw, en nam dan ook het initiatief om dit op internationaal niveau aan te pakken.  Dokter Gro Harlem Brundtland maakte van tabakscontrole een hoge prioriteit gedurende haar vijf jaar als directeur-generaal van de Wereldgezondheidsorganisatie.  In 1998 riep ze reeds op om op dit wereldwijde probleem een internationale respons te formuleren onder vorm van een kaderconventie.  Op 24 mei 1999 stemde de algemene vergadering van de Wereldgezondheids-organisatie in met een resolutie om zo’n kaderconventie te ontwikkelen.  Er werden dat jaar dan ook internationale onderhandelingen gestart om deze conventie te realiseren.  Hiervoor werd een werkgroep en nadien een Intergouvernementele Onderhandelingsgroep opgericht, die gedurende 4 jaar aan de tekst van het document werkten.  De definitieve tekst van de kaderconventie werd unaniem aangenomen door de Algemene Vergadering van de Wereldgezondheidsorganisatie op 21 mei 2003.  Het gaat om het eerste internationale verdrag, met dwingend karakter, omtrent volksgezondheid, dat werd aangenomen in het kader van de Wereldgezondheidsorganisatie. 

 

Tijdens de voorbereidingsfase was er ook een nauwe samenwerking met de Europese Unie, waar de tekst besproken werd binnen de werkgroep Volksgezondheid en goedgekeurd door de Europese Ministers van Volksgezondheid tijdens de Raad van 2-3 juni 2003, zodat Europees commissaris van Volksgezondheid David Byrne de conventie in naam van de Europese Unie kon ondertekenen tijdens de officiële ondertekeningsplechtigheid.  De Europese Unie ondertekende de Conventie als een organisatie voor regionale economische integratie.  Omdat het een gemengde overeenkomst is met een aantal bepalingen die tot de bevoegdheid van de Europese Unie behoren en andere waarvoor de lidstaten (en gemeenschappen) bevoegd zijn, moet de overeenkomst ook nog door elke lidstaat afzonderlijk worden ondertekend.

Op 16 juni 2003 werd de Kaderconventie inzake Tabakscontrole opengesteld voor ondertekening door de lidstaten van de Wereldgezondheidsorganisatie en door regionale economische organisaties, zoals de Europese Unie.  Tijdens deze eerste dag werd het reeds ondertekend door 28 landen, die sterk van elkaar verschillen zowel op het vlak van grootte als op het vlak van ontwikkelingspeil.

Afscheidnemend directeur-generaal dokter Brundtland zei tijdens deze plechtigheid: “De wens van deze landen om de Conventie op de eerste dag te ondertekenen is eens te meer een bewijs van de sterke politieke wil om een einde te maken aan sterfgevallen die veroorzaakt worden door tabaksgebruik.  Ik dring er bij alle landen waar ook ter wereld op aan om hun voorbeeld te volgen en dit verdrag snel te ondertekenen en te ratificeren.  We zijn verwikkeld in een race tegen de tijd die per jaar vijf miljoen tabaksdoden eist”

 

In de week van 16 tot 22 juni 2003 kon de Conventie in Genčve worden ondertekend.  Daarna werd ze neergelegd bij de secretaris-generaal van de Verenigde Naties.  Van 30 juni 2003 tot 29 juni 2004 kan ze op het hoofdkwartier van de Verenigde Naties in New York worden ondertekend.  Nadien is enkel nog een toetreding tot de Conventie mogelijk.

 

Zodra veertig staten de Conventie hebben geratificeerd, treedt ze in werking voor deze landen, en vervolgens ook voor andere landen die ze later ratificeren.  Door de ondertekening binden de staten zich nog niet definitief, maar drukken ze hun politieke steun uit om in goede trouw te handelen en om zich te richten naar de beginselen van de Conventie in de periode tot de ratificatie (artikel 18 van het Verdrag van Wenen inzake het Verdragenrecht).

 

Na ratificatie moet de Kaderconventie vervolgens een realiteit worden, doordat de Partijen de bepalingen omzetten in nationale uitvoeringswetgeving.  Daartoe biedt het secretariaat van de Wereldgezondheidsorganisatie de nodige ondersteuning.

 

 

2.     Artikelsgewijze bespreking van de Conventie

 

De Conventie schept een internationaal forum voor tabakscontrole met bepalingen inzake reclame en sponsoring, prijsbeleid en accijnzen, etikettering, illegale handel en smokkel, preventiebeleid, luchtafzuiging en tabaksteelt.  Landen en organisaties van regionale economische integratie mogen verder gaan in hun regelgeving.

 

Artikel 1 definieert de termen “illegale handel”, “organisatie voor regionale economische integratie”, “tabaksadvertenties en –promotie”, “tabakscontrole”, “tabaksindustrie”, “tabaksproducten” en “tabakssponsoring”.  In artikel 2 wordt de relatie van de Conventie met andere internationale juridische instrumenten uitgeklaard. Deze kunnen met name strengere vereisten opleggen.

 

Vervolgens bevat de Conventie een aantal algemene beginselen en verplichtingen.  Artikel 3 noemt de bescherming van huidige en toekomstige generaties voor de vernietigende gevolgen van tabak voor gezondheid, milieu, economie en welzijn als doel van de Conventie.  In artikel 4 worden de volgende algemene beginselen opgesomd:

-         Iedereen moet worden geďnformeerd over de risico’s van tabak

-         De politiek moet zich op nationaal, regionaal en internationaal niveau sterk engageren om op een multisectorale en gecoördineerde wijze op te treden.

-         Internationale samenwerking, met name kennisoverdracht en (financiële) bijstand is nodig.

-         Er moeten maatregelen worden genomen om tabaksconsumptie terug te dringen.

-         Tabakscontrole kan worden bewerkstelligd door middel van maatregelen op het vlak van het aansprakelijkheidsrecht.

-         Tabakstelers en werknemers in de tabaksindustrie moeten worden bijgestaan om op een andere manier te worden ingeschakeld in de economie.

-         Deelname van de civiele maatschappij is essentieel.

 

Artikel 5 verplicht de Partijen een algemene multisectorale tabakscontrolestrategie uit te werken, en daarvoor de nodige financiële mechanismen en internationale samenwerking te voorzien.

 

Het derde deel van de Conventie betreft de maatregelen die betrekking hebben op het verminderen van de vraag naar tabak.  De artikelen 6 en 7 bespreken achtereenvolgens prijsgerelateerde en niet-prijsgerelateerde maatregelen.  Volgens artikel 8 dienen de Partijen maatregelen te nemen tegen het blootstellen aan tabaksrook.  Artikel 9 machtigt de vergadering van de Partijen om richtlijnen voor te stellen met betrekking tot de inhoud van tabaksproducten.  Artikel 10 legt de Partijen op invoerders en fabrikanten te verplichten informatie over inhoud en emissies van hun producten mede te delen.  De verpakking en etikettering van tabaksproducten wordt behandeld in artikel 11.  Artikel 12 betreft maatregelen op het vlak van onderwijs en overheidscommunicatie.  Tabaksreclame, -promotie en          -sponsoring worden besproken in artikel 13.  Het laatste artikel van dit deel, artikel 14, betreft de rol van de overheid bij de begeleiding bij het stoppen met roken.

 

In een vierde deel zitten de maatregelen vervat die het verminderen van het aanbod van tabak beogen.  Het gaat om illegale handel en smokkel (artikel 15), verkoop aan minderjarigen (artikel 16) en het voorzien van economisch leefbare alternatieven voor tabakstelers, mensen die werken in de tabaksindustrie en individuele verkopers (artikel 17).

 

Artikel 18 stelt dat de Partijen oog moeten hebben voor de bescherming van het milieu met betrekking tot tabaksteelt en tabaksverwerking.

 

In artikel 19 worden de Partijen opgeroepen wetgeving uit te vaardigen of aan te passen inzake strafrechtelijke en burgerrechtelijke aansprakelijkheid, inclusief compensaties.

 

Het volgende deel van de Conventie (artikelen 20 tot en met 22) heeft betrekking op de wetenschappelijke en technische samenwerking en de uitwisseling van informatie.

 

Vervolgens bevatten de artikelen 23 tot en met 26 institutionele regelingen en financiële bepalingen.  Na de inwerkingtreding van de Conventie zal er een vergadering van de Partijen worden bijeengeroepen door de Wereldgezondheidsorganisatie, die de nodige procedureregels en financiële regels zal nemen en de implementatie van de Conventie zal monitoren.  Er zal een secretariaat worden opgericht voor deze Conventie. De partijen zullen financiële steun geven aan hun nationale activiteiten die de implementatie van deze Conventie tot doel hebben.  Op internationaal vlak zullen zij financieel bijdragen aan de activiteiten van ontwikkelingslanden op bilaterale, (sub)regionale en multilaterale wijze.  Zij zullen zich inzetten voor financiering van deze activiteiten door de intergouvernementele (financiële) organisaties waar zij deel van uitmaken.

 

De beslechting van geschillen over de interpretatie of uitvoering van deze Conventie wordt geregeld in artikel 27.  De partijen kunnen bij ratificatie een bindende arbitrageprocedure aanvaarden.

 

In de artikelen 28 en 29 wordt de procedure voorzien voor de verdere ontwikkeling van de Conventie door amendering of bijlagen.  Deze dienen door de Partijen te worden bekrachtigd.

 

Tot slot bevatten de artikelen 30 tot en met 38 verdragstechnische bepalingen inzake voorbehouden, terugtrekking, stemrecht, protocollen, ondertekening, ratificatie en aanvaarding, inwerkingtreding, rol van de depositaris en de authentieke tekstversies.

 

 

3.     Het Vlaamse beleid inzake tabakscontrole

 

Het realiseren van een daling van het aantal rokers, specifiek bij jongeren, is één van de vijf Vlaamse gezondheidsdoelstellingen, die overigens werden opgesteld op basis van de ‘Health for all’ strategie van de Wereldgezondheidsorganisatie.

Dit wordt in de praktijk gerealiseerd door het Vlaams Instituut voor Gezondheidspromotie, dat jaarlijks de wedstrijd Rookvrije Klassen organiseert en verder meewerkt aan projecten en studies van de Europese Unie en aan initiatieven van de Wereldgezondheidsorganisatie (zoals de jaarlijkse Werelddag tegen Tabak).  Daarnaast zijn er de 26 LOGO's, die ook aan de gezondheidsdoelstelling rond roken moeten werken en in het kader hiervan lokale initiatieven opzetten, informeren en sensibiliseren en VIG-methodieken en –werkinstrumenten proberen te implementeren in hun lokaal netwerk.  Deze 27 organisaties worden jaarlijks gesubsidieerd door de Vlaamse overheid.

 

In de eindtermen en de ontwikkelingsdoelen van de eerste graad van het secundair onderwijs (Besluit van de Vlaamse regering van 20/6/1996) staat m.b.t. gezondheidseducatie dat de leerlingen weten dat het gebruik en misbruik van genotsmiddelen, waaronder tabak, gevolgen heeft op de eigen gezondheid, de gezondheid van anderen, de sport- en leerprestaties en de sociale relaties.

 

De Vlaamse wetgeving betreffende radio- en televisiereclame bepaalt dat reclameboodschappen, inclusief sponsoring, op radio en televisie geen directe of indirecte reclame mogen bevatten voor tabaksprodukten (Artikel 81 en 88 van de decreten betreffende de radio-omroep en de televisie, gecoördineerd op 25 januari 1995).

 

Landbouwbeleid : In toepassing van de Europese Verordening nr. 2182/2002 en 1983/2002 omtrent reconversie van de productie van ruwe tabak, is op Vlaams niveau een ‘Programma voor omschakeling in de sector ruwe tabak’ opgesteld.  Telers die hun quotum definitief hebben verkocht aan de Europese Commissie kunnen een reconversieproject indienen en hiervoor een gedeeltelijke (75%) of volledige Europese tussenkomst uit het Gemeenschappelijk Fonds voor Tabak genieten.  Tijdens het eerste toepassingsjaar (opkoop in december 2002 en projectindiening begin 2003) werden 2 projecten ingediend en goedgekeurd.

 

Het bestrijden van het tabaksgebruik vormt eveneens het voorwerp van het ontwerp van samenwerkingsakkoord tussen de Federale Staat, de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap, de Duitstalige Gemeenschap, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, de Franse Gemeenschapscommissie en het Waalse Gewest.  Ervaringen in andere landen leren dat een globale strategie, met acties op verschillende domeinen tegelijk, het meeste succes heeft.  De institutionele hervorming brengt met zich mee dat in België de bevoegdheden betreffende de tabaksproducten en het tabaksgebruik niet door dezelfde overheden worden uitgeoefend.  Bedoeling van het samenwerkingsakkoord is het benutten van door de federale overheid geďnde middelen (accijnzen op tabaksproducten) voor ondermeer taken en acties die tot de bevoegdheden van de Gemeenschappen en Gewesten behoren.  De idee van toepassing van dit werkingsprincipe in België is ontstaan door internationale studie van de bestrijding van tabaksgebruik.  In diverse landen worden de acties om tabaksgebruik tegen te gaan namelijk gefinancierd uit de fiscaliteit op de tabaksproducten (onder meer in deelstaten van Australië, in acht Amerikaanse staten en in Polen).  De mogelijkheid tot uitvoering van het samenwerkingsakkoord is echter nog steeds geen vaststaand gegeven, daar een aspect van het werkingsbeginsel, met name de besteding van accijnzen op tabaksproducten aan tabakspreventie, door een negatief advies van de Raad van State aan het wankelen werd gebracht.

 

 

4.     Procedureverloop en “gemengd karakter” van de Conventie 

 

Deze toetredingsovereenkomst is een “gemengd” verdrag in de zin van artikel 167 §4 van de Grondwet.  De samenwerking in het kader van de Europese Economische Ruimte heeft immers ook betrekking op materies waarvoor naar intern Belgisch grondwettelijk recht de Gemeenschappen en de Gewesten bevoegd zijn.  Tijdens de bijeenkomst van 8 juli 2003 legde de Werkgroep Gemengde Verdragen, een adviserend orgaan van de Interministeriële Conferentie voor het Buitenlands Beleid, het gemengde karakter vast (bevoegdheden van de federale overheid, de Gemeenschappen, de Gewesten en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie).  De gemeenschapsbevoegdheden situeren zich op het vlak van preventieve gezondheidszorg en de rol van het onderwijs.  Gewestbevoegdheden zitten onder meer vervat in de bepalingen inzake milieubescherming en het voorzien van economisch leefbare alternatieven.

 

Overeenkomstig de bijzondere wet tot hervorming der instellingen en het samenwerkingsakkoord van 8 maart 1994 over de nadere regelen voor het sluiten van gemengde verdragen moeten de regeringen van de Gemeenschappen en Gewesten hun machtiging geven voor de ondertekening van dit verdrag door de federale overheid.  Deze ondertekening zal plaatsvinden tijdens de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties in New York, hetzij op ministerieel niveau, hetzij op niveau van de ambassadeurs.  De ondertekening zal gebeuren volgens formule 3, dit wil zeggen "één enkele handtekening met volmachten van alle betrokken overheden, in naam van het Koninkrijk België, doch met vermelding van alle betrokken entiteiten onder de handtekening".  Dit is de gebruikelijke formule voor de ondertekening door België van verdragen in multilateraal verband.

 

De machtiging dient schriftelijk te worden bezorgd aan de directie-generaal Europese Aangelegenheden van de Federale Overheidsdienst Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking.

 

 

5.     Financiële weerslag en budgettaire aanrekening

 

De ondertekening en de latere ratificatie van de Kaderconventie hebben op zich geen rechtstreekse financiële weerslag op de Vlaamse begroting.  De Kaderconventie stelt weliswaar meermaals dat financiële middelen moeten worden voorzien, en dat ook financieel moet worden bijgedragen aan de internationale samenwerking, maar dit wordt niet concreet gespecificeerd in de Conventie zelf.  De financiële weerslag en budgettaire aanrekening zullen moeten worden beoordeeld bij het uitvaardigen van de interne uitvoeringswetgeving voor deze verdrag en bij de afspraken met de federale overheid met betrekking tot de financiering van de werking van de internationale uitvoeringsmechanismen van deze Conventie.  In dit kader kan het nuttig zijn om de eerder beloofde bijdragen uit de inkomsten van verhoogde accijnzen op tabaksproducten in een ‘Tabaksfonds’ ter financiering van preventieve acties opnieuw ter sprake te brengen.

Het advies van de Inspectie van Financiën is als bijlage bij deze nota gevoegd.

 

 

6.     Weerslag op het personeelsbestand en –budget

 

Het voorstel van beslissing heeft geen onmiddellijke weerslag op het personeel.

 

 

7.     Weerslag op de lokale besturen

 

Het voorstel van beslissing heeft geen rechtstreekse gevolgen voor de lokale besturen.


8.     Voorstel van beslissing

 

De Vlaamse regering beslist:

 

1.              haar goedkeuring te hechten aan de Kaderconventie inzake Tabakscontrole, opgemaakt in Genčve op 21 mei 2003;

 

2.              machtiging te verlenen aan de federale eerste minister, de federale minister van Buitenlandse Zaken, de federale minister van Volksgezondheid of hun vertegenwoordiger om deze Overeenkomst mede namens de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaams Gewest te ondertekenen op voorwaarde dat de Vlaamse overheid onder de handtekening van de federale gemachtigde wordt vermeld;

 

3.              de Vlaamse minister, bevoegd voor de gezondheid, te machtigen een voorontwerp van decreet houdende instemming met de onder punt 1 vernoemde Conventie en een ontwerp van bijhorende memorie van toelichting op te stellen en hierover het advies aan te vragen van de Sociaal-Economische Raad Vlaanderen (SERV), van de Vlaamse Gezondheidsraad en van de Raad van State, afdeling Wetgeving;

 

4.              de minister-president van de Vlaamse regering te gelasten deze beslissingen schriftelijk mede te delen aan de federale minister van Buitenlandse Zaken.

 

 

Brussel,

 

De Vlaamse minister van Welzijn, Gezondheid en Gelijke Kansen,

 

 

 

 

Adelheid BYTTEBIER

 

 

De Vlaamse minister van Economie, Buitenlands Beleid en E-government

 

 

 

 

Patricia CEYSENS