Kort Geding nr. 250

 

 

 

ARBEIDSHOF TE BRUSSEL

 

 

ARREST

 

 

 

OPENBARE TERECHTZITTING VAN VIER OKTOBER TWEEDUIZENDENTWEE.

 

 

 

Kort Geding

 

Op tegenspraak

 

Definitief.

 

In de zaak

 

 

LEEMAN Jean, hulpagent, wonende to 1000 Brussel, Pijlstraat, 7/26;

 

 

appellant, geïntimeerde op tegeneis, in persoon verschijnende, bijgestaan door Mr. J. Vanneste, advocaat to 1000 Brussel, Verenigingstraat, 28;

 

 

 

tegen:

 

 

POLITIEZONE BRUSSEL HOOFDSTAD ‑ ELSENE, vertegenwoordigd door haar politiecollege met kantoren to 1000 Brussel, Kolenmarkt, 30;

geïntimeerde, appellante op tegeneis, vertegenwoordigd door Mr. A. Swinnen loco Mr. W. Muls, advocaat to 1000 Brussel, A Dansaertstraat, 92;

 

Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hierna volgend arrest uit:

 

Gelet op de stukken der rechtspleging, inzonderheid:

 

·     de dagvaarding in kort geding d.d. 19 juli 2002;

 

·     het eensluidend verklaard afschrift van de beschikking van de dienstdoende Voorzitter van de Arbeidsrechtbank to Brussel dal. 26 augustus 2002;

 

·     het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van dit Hof op 2 september 2002;

 

·     de besluiten van partijen;

 

 

Gehoord partijen in hun middelen en beweringen ter buitengewone openbare terechtzitting van 27 september 2002, waarna de debatten gesloten werden;

 

 

Het hoger beroep werd tijdig en op geldige wijze ingesteld en is derhalve ontvankelijk;

 

Het wordt ingesteld tegen de beschikking dd. 26 augustus 2002 van de dienstdoende Voorzitter van de Arbeidsrechtbank te Brussel, zetelend in kort geding, waarbij de door huidige appellant bij dagvaarding d.d. 19 juli 2002 in kort geding ingeleide vordering strekkende tot de veroordeling van huidige geïntimeerde tot het onmiddellijk nemen van alle passende maatregelen teneinde appellant toe te staan gedurende de interne werkuren in een tabakvrije omgeving te verblijven, desnoods door het hem toekennen van een apart omgevingstabaksrookvrij werklokaal gedurende deze interne werkuren en dit onder verbeurte van een dwangsom van 1000 Eur per dag en per deel van de dag dat appellant verder tewerkgesteld wordt in omgevingstabaksrook, en tot veroordeling van geïntimeerde tot de gerechtskosten met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding, ontvankelijk doch ongegrond wordt verklaard bij gebreke aan hoogdringendheid, appellant ervan wordt afgewezen en veroordeeld tot de kosten van het geding;

 

Het hoger beroep beoogt:

 

 

"Onder alle voorbehoud en zonder enige nadelige erkentenis

 

 

Dienvolgens de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende, doen wat de eerste rechter had moeten doen, namelijk: geïntimeerde te veroordelen tot het onmiddellijk nemen van alle passende maatregelen teneinde appellant toe te staan gedurende de interne werkuren in een tabaksrookvrije omgeving te verblijven, desnoods door het toekennen aan appellant van een apart tabaksrookvrij werklokaal gedurende de interne werkuren en dit onder verbeurte van een dwangsom van 1.000,00 EUR per werkdag gedurende dewelke appellant verder tewerkgesteld wordt in omgevingstabaksrook en dient te verblijven gedurende de interne werkuren in een lokaal met omgevingstabaksrook;

 

 

Geïntimeerde eveneens te veroordelen tot het betalen aan concluant van 1000 EUR wegens het tergend en roekeloos verweer;

 

 

Geïntimeerde te veroordelen tot de kosten van het geding, hierin begrepen de rechtsplegingsvergoeding"

 

 

 

Geïntimeerde verzoekt in besluiten:

 

 

"Het hoger beroep onontvankelijk doch niet toelaatbaar to verklaren, minstens ongegrond.

 

 

Appellant ervan af te wijzen en hem te veroordelen tot de kosten van beide aanleggen, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoedingen.

 

 

Hem bovendien te veroordelen tot het betalen van een bedrag van 1.500 EUR aan concluante wegens tergend en roekeloos geding"

 

 

 

DE HOOFDVORDERING

 

 

 

 

 

 

 

De hoogdringendheid

 

 

Geïntimeerde betwist de hoogdringendheid van de vordering, gezien:

 

appellant zich voor het eerst over omgevingstabaksrook beklaagde een jaar na zijn hartaanval, met name op 13.3.02 en na deze datum geduren de 4 maanden niets ondernam om dan plotsklaps te dagvaarden in kort geding;

 

    uit de door appellant neergelegde medische attesten geen hoogdringendheid blijkt en uit het attest van dokter J. Bouchlis bovendien zou blijken dat zijn hartproblemen aan andere oorzaken zouden te wijten zijn;

 

appellant tot op heden geïntimeerde hieromtrent nog niet ten gronde heeft gedagvaard;

 

 

Overeenkomstig artikel 584, tweede lid Ger. Wb. doet de voorzitter van de arbeidsrechtbank uitspraak bij voorraad in gevallen die hij spoedeisend acht, in aangelegenheden die tot de bevoegdheid van de arbeidsrechtbank behoren, welke bevoegdheid door geïntimeerde niet wordt betwist;

 

Volgens. de rechtspraak en de rechtsleer is er spoedeisendheid zodra de vrees voor schade van een bepaalde omvang of van ernstige ongemakken een beslissing wenselijk maken die niet onmiddellijk of tijdig van de bodemrechter kan verkregen worden (Cass. 11 mei 1990, T.B.H. 1990, 774; Cass. 21 mei 1987, Arr. Cass. 198687, 1287; Pas. 1987, 1, 1160; R.W. 1987‑88, 1425; Rb. Neuf chateau (kort ged.) 30.11.1988, J.T. 1989, 602; Rb. Brussel 17.9.1985, R.W. 1985‑86, 2581; Kh. Turnhout (kort ged.) 30.11.1988, Turnh. Rechtsl. 1989, 9; Kh. Gent (kort ged.).10.11.1982, R.W. 14584‑85, 1094; Bergen 2.2.1989, Pas. 1989, II, 189; Luik 27.6.1984, Jur. Liege 1984, 415; Brussel, 31.8.1983, R.P.S. 1983, noot 't Kint F. en 1984, 213; Kh. Brussel (kort ged.) 8.12.1981, R.W. 1982-83, 1139, noot T emmens p.; Brussel 19 mei 1980, R.W. 1983‑84, 367; De Leval G., L'Examen du fond des affaires par le juge des référés, J.T. 1982, 421, nr. 5; Closset‑Marchal G., Le référé aujourd'hui, Ann. Dr. Fac. Liège 1986, 312; De Leval G. en Van Compernolle J. L'évolution du référé: mutation ou renouveau?, J.T. 1985, (517), nr. 6; Jan Compernolle J. Actualité du référé, Ann. Fac. Dr Louvain 1989, 145) ;

 

 

De omstandigheden bepalen het spoedeisend karakter van de maatregel. Een ernstige bedreiging van een recht brengt spoed mee en verantwoordt een vordering. Bij de beoordeling van de gegrondheid van de vordering, dient de kortgedingrechter het belang en de rechten van beide partijen in overweging te nemen. De urgentie zal stijgen naar gelang de rechtstoestand nauw verbonden is met de grondslagen van onze beschavingen en met het algemeen belang en de norm die hem beheerst aldus hiërarchisch hoger staat (G. Rommel, Bevoegdheid, urgentie en voorlopigheid in het sociaal kortgeding tendenzen en perspectieven, J.T.T. 1982, 69);

 

 

Geïntimeerde kan bezwaarlijk blijven volhouden dat appellant vanaf 13.3.2002 gedurende 4 maanden niets ondernam, gezien zijn brief d.d. 13.3.02 hieromtrent gericht aan zijn korpsoverste en hij zowel de sociale inspectie als de arbeidsgeneesheer-preventieadviseur tijdens kwestieuze periode heeft ingelicht respectievelijk geraadpleegd m.b.t. deze problematiek zoals blijkt uit de brief d.d. 28 mei 2002 van Dr. D. Van duffel, geneesheer, sociaal inspecteur en het schrijven d.d. 3.7.02 van Dr. P. Vermeiren, arbeidsgeneesheer-preventieadviseur, gericht aan de heer Thielemans, Burgemeester van Brussel en de heer Vanreusel, hoofdcommissaris van politie (stukken nr. 2 en 6 van appellant);

 

 

Bovendien is het zo dat de gebeurlijke nalatigheid van een procespartij op zich niet de hoogdringendheid wegneemt (cfr. Kh. Kortrijk (kort: ged.) 29.4.1996, T.B.H. 1996, 10‑10); niet elk. talmen om het geschil voor de kort geding rechter te brengen mag leiden tot afwijzing van de eis (cfr. Brussel 1.2.1996, T.B.H. 1997, 427) en naast het feit dat de hoogdringendheid dient te bestaan op het ogenblik van de inleiding van het kort geding deze dient beoordeeld te worden op het ogenblik van de uitspraak (cfr. Cass. 4.11.1976, P,.W. 1976‑77, 2146. D. Lindemans, Kort geding 1985, Kluwer p. 86) ;

 

 

Eveneens beweert geïntimeerde ten onrechte dat het spoedeisend karakter van de zaak niet kan worden afgeleid uit de door appellant in het dossier van. rechtspleging gestorte medische attesten en verslagen;

 

 

Immers blijkt de hoogdringendheid van de zaak uitdrukkelijk uit de inhoud van volgende medische attesten m.b.t. de gezondheidstoestand van appellant:

 

* attest d.d. 4.7.02 van de behandelende geneesheer dokter P. Van Breusegem die verklaart appellant "te verzorgen en vastgesteld te hebben dat hij een aandoening lijdt die verergert naarmate hij blootgesteld wordt aan de aanwezigheid van sigarettenrook (passief roken.)

Elke dag dat hij blootgesteld wordt aan sigarettenrook verhoogt het risico op gezondheid bedreigende verwikkelingen, met mogelijk een ernstige weerslag op de vitale prognose. "

 

* attest d.d. 12.8.02 van Dr. P. Coussement, cardioloog, waarin deze bevestigt "dat de inhalatie van tabaksrook, hetzij actief (door het roken), hetzij passief (door het verblijven in een rokerige omgeving), schadelijk is voor de gezondheid. Meer in het bijzonder bij bovenvermelde patiënt met gekende atheroslerotische kransslagader"ziekte is inhalatie van sigarettenrook absoluut niet aangewezen";

 

 

* attest d. d. 29.8.02 van Dr. P. Van Breusegem die specifieert dat appellant ''aan een chronische ziekte lijdt, die hem niet werkonbekwaam maakt, maar die er toe leidt dat elke blootstelling aan sigarettenrook bedreigend is voor zijn gezondheid.

 

Het mechanisme dat tot deze bedreiging leidt is niet te vergelijken met dat van luchtverontreiniging, maar specifiek voor de verbranding van tabaksproducten.

 

Ongeacht de tijdsduur van de blootstelling moet deze als schadelijk worden beschouwd, zeker als het gaat om herhaalde blootstelling waarvan de effecten op te tellen zijn in de tijd. "

 

 

* attest d.d. 10.9.02 van Dr. P. Coussement die stelt dat "de schadelijke gevolgen op lange termijn van blootstelling aan tabaksrook op het menselijk lichaam meer specifiek het hart- en bloedvatenstelsel, zijn voldoende bekend. Het risico op hart- en vaatziekten bij blootstelling aan tabaksrook is continu aanwezig vanaf het begin van de blootstelling en neemt toe met de duur van de blootszelling. Gezien de heer Leeman Jean reeds lijdt aan een atheroslerotische kransslagadersziekte en ten gevolge hiervan een hartinfarct doormaakte in april 2001, kan de blootstelling aan tabaksrook op korte termijn ernstige schade toebrengen aan zijn gezondheidstoestand”

 

 

* attest dal. 5.9.02 van dokter Bouchlis werkzaam in de praktijk van Dr. Van Breusegem, die verklaart dat appellant "vorig jaar vijf (5) ingrepen onderging inzake dichtslippende hartbloedvaten in het kader van hartslaglijden. Bij onderzoek is gebleken dat er nog altijd een zijtak van een kransslagader vastzit en die niet open te blazen is door ballon-operatie of het plaatsen van een stent.

Gezien de aanleg om kransslagader te vernauwen is het bij hem van wezenlijk belang dat hij cardiovasculaire risico's zoals het roken -zowel actief als passief- vermijdt.

De blootstelling aan rook kan bij hem schadelijke gevolgen hebben met onbekende afloop";

 

 

In tegenstelling tot hetgeen geïntimeerde voorhoudt kan uit het voormeld attest van Dr. Bouchlis niet ernstig worden afgeleid dat hierin een andere problematiek wordt aangesneden met name dat de ingeroepen hartproblemen van appellant een andere oorzaak zouden hebben waarvoor geïntimeerde niet verantwoordelijk kan gesteld worden zoals zijn eet-, drink-, rook- en bewegingsgewoonten, of met andere woorden dat de oorzaak bij appellant zelf gelegen is, waarvan geïntimeerde trouwens hoegenaamd het bewijs niet levert;

 

Het hoogdringend karakter van een zaak kan daarbij niet afhangen van het al of niet dagvaarden ten gronde, welke voorwaarde nergens in de wet is voorzien;

 

Uit hetgeen voorafgaat en overeenkomstig de voormelde geldende rechtspraak en rechtsleer dient te worden besloten dat de precaire gezondheidstoestand van appellant noodzakelijk te nemen voorlopige maatregelen bij hoogdringendheid rechtvaardigen;

 

Betreffende de uitspraak bij voorraad

 

 

Geïntimeerde houdt voor dat appellant voor de kortgedingrechter tenslotte geen uitspraak bij voorraad vordert maar een beoordeling ten gronde;

 

De kortgedingrechter doet uitspraak bij voorraad (art. 584, 1ste lid Ger. Wb.), zonder nadeel aan de zaak zelf te berokkenen (art. 1039 Ger. Wb.);

 

Dat de beschikking in kort geding geen nadeel toebrengt aan de zaak zelf, betekent dat de beslissing geen bindende beslissing voor de rechter ten gronde inhoudt. Deze laatste blijft in zijn beoordelingsmacht vrij en kan de beschikking in kort geding herzien, wijzigen of aanvullen (E. Leboucq en W. Van Eeckhoutte, Het sociaalrechterlijk kort geding, R.W. 1982‑83, 1094);

 

Dat de beslissing als uitspraak bij voorraad geldt, betekent niet dat er een tijdsbepaling in de beschikking moet worden opgenomen of dat ze noodzakelijk van tijdelijke aard is. Het voorlopig karakter van de beslissing belet niet dat de uitspraak in kort geding in bepaalde gevallen schade berokkent en dat deze schade soms onherstelbaar is. De beschikking is immers voorlopig enkel wat de beoordeling van de zaak voor de rechter ten gronde betreft, maar niet wat de feitelijke gevolgen ervan betreft (Cass. 6.2.1930, Pas. 11.930, I 87);

 

 

Welke maatregelen de rechter neemt, staat hem vrij, voor zover de omstandigheden vereisen dat deze maatregel spoedig wordt genomen;

 

 

De kortgedingrechter beoordeelt de opportuniteit van elke maatregel in het licht van de spoedeisende noodzaak en kiest, binnen de perken van het gevorderde, uit de waaier van mogelijke maatregelen op grond van de noodzaak van de omstandigheden dient een voorlopige maatregel genomen te worden. De omstandigheden waarmee de rechter in kort geding rekening houdt, kunnen allerlei zijn: het nadeel en de alsdan niet herstelbaarheid van de uitwerking van de maatregel die hij beveelt (Kh. Brussel (kort ged.) 31.12.1978, T.B.H. 1978, 645); een zekere prognose omtrent de uitslag van het bodemgeschil (Kh. Brussel (kort ged.) 29.3.1983, T.B.H. 1983, 680; K.H. Brussel (kort ged. 9.6.1978, T.B.H. 1978, 361; Verougstraete I. Het kort geding. Recente trends, T.P.R. 1980, 262); de financiële, morele, fysieke toestand van partijen (Kh. Brussel (kort ged.) 15.3.1983, T.B.H. 1984, 86) , en de belangen van partijen (Kh. Brussel 15.3.1983, T.B.H. 1983, 678; Brussel 6.10.1983, J.T. 1984, 134, noot L. Van Bunnen),

 

 

Het weze echter opgemerkt dat de aan de voorzitter opgedragen taak om uitspraak te doen bij voorraad niet langer impliceert dat de beoordeling van de grond van de zaak aan zijn rechtsmacht onttrokken is. In die zin besliste het Hof van Cassatie, in een arrest van 9.9.1982: "dat het feit dat artikel 1039 van het Gerechtelijk Wetboek zegt dat de beschikkingen in kort geding geen nadeel mogen toebrengen aan de zaak zelf, de rechter niet belet de rechten van de partijen te onderzoeken, op voorwaarde dat hij geen maatregelen beveelt waardoor zij op een definitieve en onherroepeIijke wijze worden aangetast" (Cass. 9.9.1982, Arrr. Cass. 1982‑83, 277; R.W. 1983‑84, 1338, noot Laenens

Dit standpunt werd door de rechtspraak en rechtsleer herhaalde malen bevestigd (o.a. Cass. 29.9.1983, Arr. Cass. 1983‑84, 85; Cass. 22.2.1991, Arr. Cass. 1990‑91, 683; Cass. 25.4.1996, R.W. 1996‑97, 432 en 1289, concl. Dubrulle G., G. Closset‑Marchal, Le référé aujoud'hui, Ann. Dr. 1986, 310; De Leval en Van Compernolle, L'évolution du référé: mutation ou renouveau?, J.T. 1985, 518);

 

 

Echter dient te worden vastgesteld dat door appellant in zijn dagvaarding en besluiten alleen noodzakelijke en dringende maatregelen in functie van zijn gezondheidstoestand in verband met omgevingstabaksrook gevorderd worden bij voorraad, zonder dat het Hof verzocht wordt in wezen ten gronde uitspraak te doen over de eventuele invloed van omgevingstabaksrook op zijn hartkwaal, zoals ten onrechte wordt voorgehouden door gelntimeerde;

 

 

 

 

 

 

 

De voorlopige maatregelen

 

 

Appellant verzoekt geïntimeerde te veroordelen tot het onmiddellijk nemen van elke passende maatregelen teneinde hem toe te staan gedurende de interne werkuren in een tabaksvrije omgeving te verblijven, desnoods door het hem toekennen van een apart tabaksvrij werklokaal gedurende de interne werkuren;

 

 

Appellant trad op 2.7.1990 als hulpagent in dienst bij de politie-Brussel, rechtsvoorganger van de politiezone Brussel Hoofdstad‑Elsene, waar hij tewerkgesteld is bij de verkeersbrigade en zodoende hoofdzakelijk belast wordt met buitenwerk zoals het regelen van het verkeer en het toezicht op de naleving van de verkeersreglementen;

 

 

Geïntimeerde leidt hieruit af dat appellant zich slechts bij uitzondering in de lokalen van de politie dient te begeven;

 

 

Echter is het zo dat appellant zijn administratieve taken zoals het afwerken van zijn processen-verbaal in de briefing-zaal moet verrichten, waar hij bovendien zijn opdrachten van elke dag dient of te wachten, en in welk lokaal eveneens de maaltijden genuttigd worden bij gebrek aan een refter;

 

 

Zo blijkt uit zijn 3 laatste werkrapporten d.d. 07, 09 en 16 september 2002 (patrouilleverslagen stukken 12a t.e.m. 12 c van appellant) dat hij gemiddeld ongeveer een drietal uren per werkdag aanwezig is in de briefing-zaal;

 

 

Art. 148 decies 2 bis ARAB (Algemeen reglement voor de bescherrming van de arbeid ‑ R.B. van 31.3.1993) bepaalt onder de hoofding

 

"Strijd tegen hinder te wijten aan omgevingstabaksrook"

 

 

dat : "de werkgever neemt de noodzakelijke maatregelen waardoor het rookgedrag tijdens het werk en tijdens de rust‑ en etenstijden wordt afgestemd op de wederzijdse verwachtingen van de rokers en niet-rokers. Deze regeling is gebaseerd op wederzijdse verdraagzaamheid, respect voor de individuele vrijheid en hoffelijkheid.

 

De werkgever neemt zo nodig bijkomende materiële maatregelen om de hinder te wijten aan omgevingstabaksrook uit te schakelen.”

 

Daarbij bepaalt art. 20, 2° van de wet van 3.7.1978 betreffende de arbei‑dsovereenkomsten dat de werkgever verplicht is "als een goed huisvader te zorgen dat de arbeid wordt verricht in behoorlijke omstandigheden met betrekking tot de veiligheid en gezondheid van de werknemer.

 

De bescherming van de gezondheid wordt bovendien gewaarborgd in art. 23 van de Grondwet terwijl art. 51 van het Europees Verdrag van de Rechten van de mens bepaalt dat eenieder recht heeft op persoonlijke veiligheid;

 

 

Voor zover in casu mogelijks zou kunnen sprake zijn van enige vorm van pesterij t. o. v. appellant dient te worden verwezen naar de wet van 11.06.2002 (B.S. 22.6.2002) betreffende de bescherming tegen geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag op het week die in zijn art. 32 bis samengevat bepaalt dat de werkgevers en werknemers zich bij de uitvoering van hun werk dienen te onthouden van pesterijen op het werk, welk begrip verder in art. 32 ten, 2° gedefinieerd wordt als onrechtmatig en terugkerend gedrag, buiten of binnen de onderneming dat zich inzonderheid kan uiten in gedragingen en handelingen dat tot doel of gevolg heeft dat de persoonlijkheid, de waardigheid of de fysieke of psychische integriteit van een werknemer bij de uitvoering van het werk wordt aangetast en dat een beledigende, vernederende of kwetsende omgeving wordt gecreëerd;

 

Dat geïntimeerde begaan is met de terzake geldende wetgeving, gezien de ontstane problematiek, kan worden afgeleid uit de door de heer Vanreusel, Hoofdcommissaris‑korpsoverste aan de arbeidsgeneesheerpreventieadviseur dokter B. Vermeiren hieromtrent gestelde vraag zoals blijkt uit diens antwoord alsook uit zijn brief dd. 3.7.02 eveneens aan de Burgemeester gericht (stukken 2 en 3 van appellant), en uit het feit dat geïntimeerde vervolgens vooreerst overging tot het aanbrengen van een sticker met rookverbod om daarna door aanplakking (stuk nr.. 4van gentimeerde). een volledig rookverbod uit te vaardigen in de briefingzaal;

 

 

Echter is het zo dat appellant zowel in besluiten als ten openbare terechtzitting uitdrukkelijk verklaart dat dit uitgevaardigd totaal rookverbod hoegenaamd niet wordt gerespecteerd doch vender volledig dode letter blijft, wat door geïntimeerde niet ernstig wordt betwist;

 

Geïntimeerde dient bijgevolg zeer nauwkeurig toe te zien op de strikte en effectieve toepassing van haar eigen reglementen uitgevaardiad op grond van de ten zake en door haar gekende wetgeving;

 

Gezien de hoedanigheid van geïntimeerde acht het Hof het niet noodzakelijk dat dit op straffe van een dwangsom zou dienen te gebeuren;

 

Gelntimeerde dient er dan ook dringend voor te zorgen en toe te zien dat de briefingzaal effectief volledig tabaksrookvrij wordt gemaakt in het onmiddellijke belang van de precaire gezondheidstoestand van appellant;

 

 

 

De hoofdvordering is zodoende ontvankelijk en gegrond;

 

 

 

 

 

 

 

De tegeneisen van beide gartijen

 

 

Appellant vordert de betaling van 1000 EUR wegens tergend en roekeloos verweer waar geïntimeerde hem de mediatisering van de zaak door zijn toedoen verwijt terwijl geïntimeerde een vergoeding vordert van 1.500 EUR wegens tergend en roekeloos geding gezien appellant geen nieuwe elementen naar voor brengt in hoger beroep, nog niet ten gronde heeft gedagvaard en zijn hoger beroep "louter werd ingesteld om de aandacht in de media nogmaals op zich te laten vallen";

 

Echter is het zo dat, gezien de inhoud van huidig arrest, het felt dat de wet nergens enige verplichting voorziet om ook ten gronde te dagvaarden en geïntimeerde de loutere mediatisering van de zaak of van hemzelf als doel van het hoger beroep hoegenaamd niet bewijst, de door haar ingestelde tegeneis ongegrond is wat evenzo geldt voor de tegeneis van appellant gezien hij het bewijs niet levert van het misbruik van de rechten van verdediging door geïntimeerde wat haar laatste bewering betreft en de grote media‑aandacht voor het gerechtelijk gebeuren een felt is (cfr. X. De Riemaecker en G. Londers, Statuut en deontologie van de Magistraat, Die Keure 2000, p. 316), wat de democratie alleen maar ten goede kan komen op voorwaarde uiteraard dat de bericht- en verslaggeving objectief en correct gebeuren;

 

De tegenvorderingen zijn zodoende ongegrond;

 

 

 

OM DEZE REDENEN:

 

HET ARBEIDSHOF,

 

 

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24;

 

 

Rechtdoende op tegenspraak en in kort geding,

 

 

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond;

 

 

Vernietigt de bestreden beschikking d.d. 26 augustus 2002;

 

 

 

Onnieuw wijzend;

 

 

Verklaart de hoofdvorderring ontvankelijk. en als volgt gegrond:

 

 

Bevestigt het door geïntimeerde uitgevaardigd volledig rookverbod in haar briefingzaal, waarvan zij bij hoogdringendheid de effectieve en strikte naleving zonder uitzondering met de meeste gestrengheid dient na te gaan en te doen respecteren:

 

 

Verklaart de respectieve tegenvorderingen van appellant en geïntimeerde ontvankelijk doch ongegrond;

 

 

Veroordeelt geïntimeerde tot de kosten van het geding;

 

 

Deze kosten worden voor beide partijen begroot op:

‑ voor appellant:

 

          59,70 EUR dagvaardingskosten,

 

   100,40 EUR rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg (na herleiding),

 

   133,86 EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep (na herleiding),

 

   voor gelntimeerde

 

   100,40 EUR rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg (na herleiding),

 

   133,86 EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep (na herleiding);

 

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van de Eerste Kamer van het Arbeidshof te Brussel op vier oktober tweeduizendentwee

Waren aanwezig de beer M. DE CUYPER: Voorzitter,

 

de heer A. DE VADDER: Raadsheer in sociale zaken, als werkgever;

 

de heer L. CAUWENBERGHS: Raadsheer in sociale zaken, als werknemer bediende;

de heer E. POTOMS: Gri‑Efier.

 

 

E. POTOMS             M. DE CUYPER

 

 

 

 

 

 

L. CAUWENBERGHS                    A. DE VADDER.