82307/KG
ZA 00‑150
PRESIDENT VAN DE ARRONDISSEMENTS
RECHTBANK TE BREDA
25
april 2000
VONNIS IN KORT GEDING
in de zaak van:
ADRIANA JOHANNA NOOIJEN,
wonende te Breda,
e i s e r e s bij dagvaarding van 27 maart 2000,
procureur: mr. R.A.H. Post,
advocaat : mr. J.F. Roth,
t e g e n:
De besloten vennootschap met beperkte
aansprakelijkheid KONINKLIJKE PTT POST B.V.,
statutair gevestigd te 's-Gravenhage, mede
kantoorhoudende te Breda,
g e d a a g d e ,
procureur: mr. M.C. de Regt,
advocaat : mr. R.A.A. Duk to 's‑Gravenhage.
1.
Het verloop van het geding.
Dit
blijkt uit de navolgende door partijen ter vonniswijzing overgelegde stukken:
-
de dagvaarding;
-
de pleitnota van mr. Roth;
-
de akte van de zijde van eiseres, hierna ook te noemen Nooijen, houdende
overlegging van producties;
-
de pleitnota van mr. Duk en de door gedaagde, hierna ook te noemen de
PTT in het geding gebrachte producties.
2.
Het geschil.
Nooijen
vordert bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad dat de PTT zal worden veroordeeld:
Primair:
Tot
invoering, binnen veertien dagen na betekening van het te dezen te wijzen
vonnis, van een algeheel rookverbod op de vestiging van de PTT aan de Slingerweg
7 te Breda, met uitzondering van een daartoe aangewezen rokersruimte waar
niet-rokers geen last hebben van de tabaksrook;
Subsidiair:
Tot
invoering op de vestiging van de PTT aan de Slingerweg 7 te Breda, binnen
veertien dagen na betekening van het to dezen te wijzen vonnis, van een
rookverbod in de zaal (sorteerruimte) waarin zij werkt, de gangen in het gebouw
en de kantine die voor het personeel ter beschikking staat;
een
en ander op straffe van een dwangsom van f .1.000,-- per dag of gedeelte van een
dag dat de PTT de te geven veroordeling niet nakomt.
De
PTT heeft de vordering bestreden.
3.
De voorlopige beoordeling en de gronden daarvoor:
3.1
Op
grond van de niet of onvoldoende weersproken stellingen en de
overgelegde
producties wordt uitgegaan van de navolgende feiten:
‑
Sedert 1 februari 1988 is Nooijen in dienst bij de PTT. Zij is werkzaam
in de functie van (voltijds) postbesteller in het postsorteercentrum aan
Slingerweg 7 te Breda.
‑
De werkzaamheden van Nooijen bestaan onder meer uit het voorsorteren en
verwerken van post, waaronder ook aangetekende brieven en pakjes. Dit onderdeel
kost gemiddeld ongeveer 5 uren arbeid per dag.
‑
Het overgrote deel van deze werkzaamheden verricht zij in een grote
sorteerruimte, tezamen met nog een aantal collega postbestellers, van wie een
niet onaanzienlijk deel tabaksartikelen rookt.
‑
Nooijen heeft zich over het roken door haar collega's al vanaf januari
1993 regelmatig bij haar werkgever beklaagd en verzocht afdoende maatregelen te
nemen om haar te vrijwaren van tabaksrook in haar werkomgeving.
‑
Gepoogd is om, onder meer in (werk)overlegvergaderingen, tot afspraken
met collega-rokers te komen omtrent het (niet) roken.
‑
Sinds 24 februari 1997 werkt Nooijen in een speciaal ten behoeve van haar
door kasten gecreëerde werkplek in genoemde grote sorteerruimte. Boven deze
kasten is nog veel ruimte tot aan het plafond. Voor dit gedeelte van de grote
sorteerzaal heeft de PTT een rookverbod ingesteld.
‑
Elders in het sorteercentrum geldt nog een rookverbod in het damestoilet.
In de kantine geldt een rookverbod van 11.30 tot 13.30 uur.
‑
Bij brief van 9 februari 2000 aan de PTT heeft Nooijen verzocht gestalte
te geven aan een effectief rookbeleid, door het rookvrij maken van de
werkruimtes, uitgezonderd een daartoe aangewezen ruimte waar niet-rokers geen
last hebben van de rook.
‑
Bij brief van 24 februari 2000 heeft de PTT daar afwijzend op gereageerd.
3.2
Nooijen
stelt dat, ook los van haar persoonlijke overgevoeligheid voor tabaksrook, van
de PTT als goed werkgever vergaande maatregelen op de werkvloer mogen worden
verwacht, primair in de vorm van een absoluut rookvrije werkomgeving, zulks ter
invulling van haar verplichtingen op grond van het arbeidsrecht en de Arbowet om
zorg to dragen voor een veilige werksituatie en een werkplek waar zij, en andere
niet-rokende collega's, zonder gevaar voor de eigen gezondheid hun werkzaamheden
kunnen uitoefenen.
Met
betrekking tot de gezondheidsrisico's van het zogenaamde meeroken door
niet-rokers heeft Nooijen onder meer verwezen naar de Tabakswet en naar
conclusies van wetenschappelijke onderzoeken.
3.3
De
PTT heeft aangevoerd dat zij met de hiervoor genoemde door haar genomen
maatregelen in voldoende mate is tegemoet gekomen aan de wensen van Nooijen, en
dat, om hierna nader te bespreken redenen, afwijzing van de vordering zou
behoren te volgen.
3.4
Algemeen
aanvaard uitgangspunt, tevens basis voor de wetgeving ten aanzien van de
bescherming van de niet-roker in de Tabakswet uit 1989, is dat roken de
gezondheid bedreigt en dat ook niet-rokers gezondheidsschade of hinder
ondervinden van het roken door anderen in hun omgeving, in het bijzonder wanneer
zij lijden aan aandoeningen van de ademhalingswegen.
3.5
In
1999 heeft de regering ingediend het Voorstel van Wet tot wijziging van de
Tabakswet (Kamerstukken Tweede Kamer, vergaderjaar 19981999, 26472). Dit is in
behandeling bij de Tweede Kamer. De regering neemt hierin als uitgangspunt voor
nadere wetgeving dat voor tabaksrook geen waarden voor maximaal aanvaarde
concentraties zijn bepaald, dit in tegenstelling tot vele andere toxische
stoffen in de lucht. De conclusie van het rapport van de Gezondheidsraad,
overgelegd door eiseres, inhoudend dat voor blootstelling aan een
kankerverwekkende stof als tabaksrook geen veilige ondergrens is te geven, wordt
daarmee door de regering overgenomen.
In dit kort geding wordt deze conclusie ook gevolgd en als uitgangspunt
genomen.
Dit
gegeven vormde voor de regering aanleiding om in genoemd wetsvoorstel de
Tabakswet aan te scherpen. Het wetsvoorstel schept de mogelijkheid om bij
algemene maatregel van bestuur (AMvB) werkgevers te verplichten "zodanige
maatregelen te treffen dat werknemers in staat zijn hun werkzaamheden te
verrichten zonder daarbij hinder en overlast van roken door collega's te
ondervinden".
3.6
Het
recht op bescherming van de lichamelijke integriteit, de gezondheid, is een
grondrecht, neergelegd in de Grondwet. Het werkt uiteraard door in het
arbeidsrecht. Artikel 7:658 lid 1 BW legt aan een werkgever de verplichting op
om de lokalen waarin hij arbeid doet verrichten op zodanige wijze in te richten,
alsmede voor het verrichten van de arbeid zodanige maatregelen te treffen en
aanwijzingen te verstrekken als redelijkerwijs nodig is om te voorkomen dat de
werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt. Artikel 3 van
de Arbeidsomstandighedenwet legt de werkgever de verplichting op de arbeid
zodanig te organiseren en de arbeidsplaatsen zodanig in de richten dat daarvan
geen nadelige invloed uitgaat op de gezondheid van de werknemer.
In
artikel 4.9 van het Arbeidsomstandighedenbesluit wordt voorgeschreven dat
doeltreffende maatregelen moeten worden genomen om te voorkomen dat werknemers
bij hun arbeid kunnen worden blootgesteld aan stoffen in zodanige mate dat
schade kan worden toegebracht aan hun gezondheid of aan de werknemers hinder kan
worden veroorzaakt. Lid 2 en 3 van dit artikel geven nadere regels over de
volgorde waarin de werkgever maatregelen moet nemen. Begonnen moet worden met
onder meer organisatorische maatregelen die het gevaar bij de bron voorkomen.
Pas indien dit niet doeltreffend kan mogen andere maatregelen, bijvoorbeeld
afvoer van verontreinigde lucht, aan de orde komen.
3.7
Gelet
op het genoemde gevaar van tabaksrook voor de gezondheid leggen deze
wetsbepalingen aan de werkgever de verplichting op om te waarborgen dat
niet-rokende werknemers zich tijdens hun werkzaamheden en pauzes bevinden in een
omgeving die geheel vrij is van tabaksrook. Er is immers geen veilige
ondergrens. Het gevaar moet primair aan de bron worden aangepakt, door een
organisatorische maatregel. Een algeheel rookverbod is daartoe geschikt en in
het algemeen aangewezen binnen kantoorgebouwen. De werkgever kan daaraan niet
tegenwerpen de wens van andere werknemers die wel roken, omdat deze rokers de
gezondheid van de niet-rokers behoren de respecteren.
3.8
Aan
deze verplichting voldoet de PTT in het postsorteercentrum aan de Slingerweg
niet. De werkplek van Nooijen in de grote sorteerruimte is niet werkelijk
afgescheiden van de rokende collega's daar.
Dat de luchtverversingsinstallatie het risico wegneemt dat zij wordt
blootgesteld aan tabaksrook van anderen is niet bevrijdend voor de PTT, maar
bovendien niet aannemelijk. Technische rapportage die dit zou kunnen bewijzen is
door de PTT niet overgelegd. Ten slotte wordt Nooijen ook blootgesteld aan de
tabaksrook van collega's in vrijwel alle andere ruimten van het sorteercentrum
op vrijwel alle tijden.
3.9
De
bescherming van de gezondheid is een belang wat naar zijn aard spoedeisend is.
Dit geldt in zijn algemeenheid. Voor Nooijen geldt bovendien nog dat op basis
van de overgelegde producties voldoende aannemelijk is dat zij behoort tot de
extra kwetsbare groep die buitengewone gezondheidsklachten en hinder ondervindt
door tabaksrook. Spoedeisend belang bij een voorziening die uitvoering geeft aan
de verplichting van de werkgever is daarom aanwezig.
3.10
De
primaire vordering behelst een algeheel rookverbod op de vestiging van de PTT
aan de Slingerweg 7 in Breda, met uitzondering van een daartoe aangewezen
rokersruimte, waarvan niet-rokers geen last hebben.
De
PTT heeft aangevoerd dat deze variant van een rookbeleid to ver gaat. De PTT
heeft echter op geen enkele wijze aangegeven welke andere, op de bron gerichte
organisatorische maatregelen voor deze bedrijfsruimte aan de Slingerweg te
bedenken zijn die toch recht doen aan genoemd uitgangspunt voor de bescherming
van de niet-rokers.
3.11
Uit
de overgelegde foto's van de grote sorteerruimte, en de plattegrond van het
gebouw, wordt duidelijk dat het hier gaat om een normaal kantoorgebouw van niet
al te grote omvang. Aannemelijk is dat Nooijen tijdens haar werk op alle
plaatsen daarin weleens zal komen. Op sommige plaatsen vaak, op andere misschien
minder, maar deze frequentie is niet van belang. Hetzelfde geldt voor al haar
niet-rokende collega's.
Dit geeft voldoende rechtvaardiging om in dit geval de primair gevraagde
voorziening als een proportionele en redelijke aan te merken.
De PTT dient immers rekening te houden met het gezondheidsbelang van alle
niet-rokende werknemers ook al treedt er slechts een naar voren als eisende
partij in kort-geding.
3.12
De
PTT heeft gesteld dat toewijzing van deze vordering haar ertoe zou verplichten
in strijd met artikel 27 lid 1 van de Wet op de Ondernemingsraden te handelen.
Zou er al enige verplichting voor haar bestaan dan zou deze beperkt moeten
worden tot het voorleggen van een voorstel voor een regeling van een rookverbod
aan de betrokken Ondernemingsraad.
Deze
stellingname is niet juist. De Wet op de Ondernemingsraden laat onverlet de
bevoegdheid van de burgerlijke rechter om een gebod als dit op te leggen aan een
werkgever. Dit gebod is niet onderworpen aan de goedkeuringseis van de
Ondernemingsraad.
De
PTT en de bevoegde Ondernemingsraad zijn tot heden ruime tijd tekortgeschoten in
hun rookbeleid in het pand aan de Slingerweg. Van Nooijen kan in redelijkheid
niet worden verlangd dat zij nog langer wacht op passende initiatieven van die
zijde.
3.13
Anders
dan de PTT mondeling ter zitting heeft aangevoerd is geen reden tot afwijzing
van de vordering te vinden in de omstandigheid dat de wetgever thans
heroverweegt hoever te gaan bij de bescherming van niet-rokers door aanscherping
van de Tabakswet.
Het grondrecht op gezondheid kan langs privaatrechtelijke weg worden
gewaarborgd, onafhankelijk van het mogelijke ontstaan (de wet is er immers nog
niet) van eventuele (in het voorstel wordt immers slechts de mogelijkheid
geschapen om bij AMvB een rookverbod op te leggen) publiekrechtelijke
waarborgen.
3.14
De
primaire vordering is op grond van het hiervoor overwogene toewijsbaar.
De dwangsom zal worden toegewezen als gevorderd tot een maximumbedrag van
f .100.000,--.
De
PTT zal worden veroordeeld in de kosten van het geding omdat zij in het ongelijk
wordt gesteld.
4.
De beslissing in kort eding.
De
President
veroordeelt
gedaagde tot invoering, binnen veertien (14) dagen na betekening van dit vonnis,
van een algeheel rookverbod op de vestiging van gedaagde aan de Slingerweg 7 te
Breda, met uitzondering van een daartoe aangewezen rokersruimte, waarvan
niet-rokers geen last hebben;
bepaalt,
dat gedaagde aan eiseres een dwangsom zal verbeuren van f
.1.000,--
per dag dat gedaagde deze veroordeling niet nakomt, met bepaling dat niet
meer dan f .100.000,-- aan dwangsommen zal worden verbeurd;
bepaalt
dat de in dit vonnis genoemde dwangsom vatbaar is voor matiging door de
bodemrechter voorzover handhaving van de hiervoor gekozen dwangsom naar
maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn, in
aanmerking genomen de mate waarin aan de veroordeling is voldaan, de ernst van
de overtreding en de mate van verwijtbaarheid van de overtreding;
verwijst
gedaagde in de kosten van het geding en veroordeelt haar tot betaling van die
kosten aan de zijde van eiseres gevallen en tot op heden begroot op f .2.022,56;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit
vonnis is gewezen door mr. J.P. Leijten, fungerend president, en uitgesproken
ter openbare terechtzitting in kort geding van dinsdag, 25 april 2000, in
tegenwoordigheid van W.J.M. de Haan, waarnemend‑griffier.
w.g.
W.J.M. de Haan
w.g. J.P. Leijten