Rechtbank Zwolle

Sector kanton – locatie Zwolle

 

Zaaknr.: 178507 CV 02-2446

Datum: 17 juni 2003

 

Vonnis in de zaak van:

 

RICHARDA ADRIANA RIPHAGEN-VAN DEN BRULE,

Wonende te Zwolle,

Eisende partij,

Gemachtigde mr. E.F. Muller, advocaat te 7401 HD Deventer, Postbus 6150,

 

Tegen

 

De stichting STICHTING ISALA KLINIEKEN,

Gevestigd te Zwolle,

Gedaagde partij,

Gemachtigde mr. B.W.M. Vrijaldenhoven, advocaat te 6500 AB Nijmegen, Postbus 55.

 

 

De procedure

 

De kantonrechter heeft kennisgenomen van:

-      De dagvaarding d.d. 4 juli 2002 ten verzoeke van mw. Riphagen uitgebracht;

-      Het antwoord d.d. 13 augustus 2002 van Isala;

-      De nadere toelichting van de partijen.

 

Het geschil en de beoordeling

 

1.

Mw. Riphagen heeft gevorderd:

Verklaring voor recht dat Isala aansprakelijk is voor de schade die mw. Riphagen heeft geleden, lijdt en zal lijden ten gevolge van het feit dat zij bij Isala heeft gewerkt op een werkplek alwaar werd gerookt;

Veroordeling van Isala aan mw. Riphagen te voldoen schadevergoeding op te maken bij staat en te vereffenen volgens wet.

 

2.

Isala heeft de vordering bestreden.

 

3.

De kantonrechter overweegt in verband met dit geschil het volgende:

 

3.1.

Tussen partijen zijn de volgende feiten komen vast te staan:

 

(a)

Mw. Riphagen is met ingang van 1 oktober 1999 in dienst getreden van Isala in de functie van medisch secretaresse. Zij is werkzaam geweest als secretaresse van gastro-enteroloog dr. G.F. Nelis. Nelis werkt in maatschapsverband samen met dr. B.O. Westerveld.

 

(b)

Mw. Riphagen lijdt al van (ver) voor haar indiensttreding hij Isala aan astma op basis van hyperreactiviteit en allergie.

 

(c)

De artsen Nelis en Westerveld waren (in ieder geval in de periode van 1 oktober 1999 tot 1 juli 2000) –zeer- stevige rokers.

 

(d)

De werkplek van mw. Riphagen op de afdeling gastro-enterologie was in beginsel de (centraal gelegen) ruimte die door drie secretaresses werd gedeeld. Deze ruimte had twee toegangsdeuren met daartussen de balie die door middel van een schuifruit word afgesloten. De secretaresseruimte was voorzien van ramen die open konden worden gezet. Aan de kopse kanten van de secretaresseruimte bevond zich aan één zijde een toegangsdeur naar de spreek/werkkamer van dr. Nelis. Via deze spreekkamer kon ook een onderzoekkamer worden bereikt. De werkkamer van dr. Nelis was voorzien van een raam dat open kon worden gezet en van een tweetal mechanische ventilatiekanaten. Aan de andere kopse kant van de secretaresseruimte gaf een deur toegang naar een spreekkamer die door een tweetal gastro-enterologen word gebruikt. Via deze spreekkamer werd een achterliggende kamer bereikt die dienst deed als werkkamer van de beide gastro-enterologen. Ook al deze kamers waren voorzien van ramen die open konden worden gezet. Mw. Riphagen verrichtte haar werkzaamheden voornamelijk in de secretaressekamer. Haar collega secretaresses rookten niet, althans niet in deze kamer maar in de werkkamer van dr. Westerveld. Dr. Nelis en dr. Westerveld rookten voornamelijk in hun werkkamer. In de praktijk kwam het voor dat de deur van de werkkamer van dr. Nelis naar de secretaressekamer open stond, waarbij dr. Nelis rookte. Ook kwam het voor dat dr. Nelis met een brandende sigaret naar het secretariaat liep om daar wat of te geven of te overleggen met zijn secretaresse. Zo handelde ook dr. Westerveld. Voorts kwam het voor dat mw. Riphagen de werkkamer van dr. Nelis betrad terwijl hij rookte. Dr. Nelis verbleef zo'n 18 tot 20 uur per week op de afdeling gastro-enterologie. Tijdens de spreekuren, in totaal 8 uur per week, word er niet gerookt. Tenslotte kwam het voor dat mw. Riphagen de kamer van dr. Westerveld moest binnengaan terwijl daar stevig werd gerookt.

 

(e)

Dr. Nelis heeft eerst een aantal maanden na indiensttreding van mw. Riphagen kennis gekregen van het feit dat zij hinder ondervond van rook. Hij heeft toen toegezegd niet meer op het secretariaat te zullen roken. Hij heeft zich daaraan gehouden, hoewel hij incidenteel nog wel met een brandende sigaret vanuit zijn kamer de secretariaatskamer binnenging om iets te halen of te brengen of doorliep naar de ruimte van de collega‑specialisten.

 

(f)

Op 1 juli 2000 is mw. Riphagen uitgevallen met hardnekkige benauwdheidsklachten. Van 24 juli tot en met 3 augustus 2000 is zij in verband met een exacerbatie (plotselinge verergering) van haar astma opgenomen geweest op de longafdeling van Isala Klinieken. In maart 2001 is zij wegens dyspnoe (kortademigheid, benauwdheid, bemoeilijkte ademhaling) nogmaals opgenomen geweest, terwijl zij van 9 januari 2002 tot 3 april 2002 opgenomen is geweest in het Nederlands Astmacentrum te Davos.

 

(g)

Mw. Riphagen is vanaf 3 juli 2001 volledig arbeidsongeschikt in de zin van de WAO geacht. Op grond van de toepasselijke CAO ziekenhuizen heeft Isala gedurende de eerste twee ziektejaren het inkomen van mw. Riphagen gesuppleerd tot 100 %.

 

 

(h)

Mw. Riphagen is (nog steeds) in dienst van Isala.

 

3.2.

Naar het oordeel van de kantonrechter kan, nu mw. Riphagen tijdens haar werkzaamheden is blootgesteld aan de voor de gezondheid van mensen in het algemeen / haar gezondheid schadelijke en zelfs gevaarlijke sigarettenrook, in de lijn van Hoge Raad 17 november 2000, JAR 2000/261‑ Unilever/Dikmans ‑, worden uitgegaan van het door mw. Riphagen te bewijzen oorzakelijke verband tussen ‑ de verergering van ‑ haar aandoening en de arbeidsomstandigheden. Hieraan doet niet of dat de astma van mw. Riphagen ook kan worden verergerd door psychische prikkels zoals stress en emoties, of door een slechte algehele conditie of een te hoog lichaamsgewicht van mw. Riphagen, nu Isala niet heeft aangeboden te bewijzen dat slechts anders dan door prikkels veroorzaakt door sigarettenrook, de verergering van de ziekte van mw. Riphagen is veroorzaakt.

 

3.3.

De geschonden norm is de in artikel 7:658 Burgerlijk Wetboek (BW) opgenomen verplichting voor een veilige werkomgeving, in samenhang met artikel 3 Arbowet (waarin de werkgever onder andere de verplichting is opgelegd de arbeid zodanig te organiseren dat daarvan geen nadelige invloed uitgaat op de gezondheid van de werknemer) en artikel 4.9 Arbobesluit. Naar het oordeel van de kantonrechter kan aan een en ander worden ontleed dat de werkgever verplicht is om te waarborgen dat niet‑rokende werknemers zich tijdens hun werkzaamheden en pauzes ‑ kunnen ‑ bevinden in een omgeving die geheel vrij is van tabaksrook. Isala dus kan niet worden gevolgd in haar stelling dat weliswaar genoegzaam bekend is dat een rokerige werkplek tot overlast/verergering van (het ziektebeeld van) astmapatiënten kan leiden, maar (nog) geen schending van de zorgverplichting ex artikel 7;658 oplevert.

 

3.4.

Isala heeft er op gewezen dat daadwerkelijke blootstelling van mw. Riphagen aan sigarettenrook, hooguit zou kunnen leiden tot een hyperreactiviteit, welke zich daardoor kenmerkt dat (in een relatiefkort tijdsbestek) de astmatische klachten verergeren. Zodra de aspecifieke prikkel(s) wordt/worden weggenomen zou dit er, aldus Isala, toe moeten leiden dat ook de hyperreactiviteit afneemt. De klachten van mw. Riphagen zouden derhalve na 3 juli 2000 (eerste ziektedag) moeten zijn afgenomen, maar uit haar medisch dossier blijkt dat haar klachten hebben aangehouden en zelfs zijn verergerd.Isala ziet er naar het oordeel van de kantonrechter echter aan voorbij dat de door sigarettenrook veroorzaakte klachten blijkbaar langdurige(r) gevolgen hebben.

(i)

Zo blijkt uit de ontslagbrief d.d. 3 oktober 2000 van longarts J.A. Stigt aan de huisarts van mw. Riphagen, na de opname van mw. Riphagen van 25 juli t/m 3 augustus 2000 (onderdeel van productie 3 bij dagvaarding), onder meer van het volgende:

(…)

Anamnese:

Patiënte is al ruim een half jaar aan het kwakkelen. Ze heeft al veel kuren Prednisolon gehad. Sinds ca. 3 weken is ze toenemend benauwd en heeft een vol gevoel. Ze geeft groenig slijm op, dat slecht loskomt. De problemen zijn begonnen nadat ze een nieuwe baan heeft gekregen in een rokerige omgeving. Ze gaat nu van baan veranderen. I.v.m. kortademigheidsklachten is haar inspanningstolerantie sterk verminderd. Ze slaapt nauwelijks.

(…)

Decursus

40 jarige vrouw, opgenomen i.v.m. een exacerbatie CARA, waarvoor ze wordt behandeld met Prednisolon 75 mg. en vernevelingen, Atrovent/Ventolin. Patiënte knapt aanvankelijk maar matig op en blijft fors piepen. Tijdens opname ontwikkelt ze nog een luchtweginfectie, waarvoor ze wordt behandeld met Cerfixzox. Hierop knapt ze wet op en ze wordt op 3 augustus 2000 in redelijke conditie uit het ziekenhuis ontslagen. In overleg met patiënte is besloten om haar aan te melden voor begeleiding van het Astma Team om beter om te leren gaan met de lichamelijke beperkingen t.g.v. haar astma.

(..)

(ii)

Aan de ontslagbrief van 19 april 2001, na opname van 6 t/m 23 maart 2001 van mw. Riphagen op de afdeling longziekten van Isala, door longarts Stigt gericht aan de huisarts van mw. Riphagen, kan ‑ zo moet aan Isala worden toegegeven ‑ niet worden ontleend dat de exacerbatie van astma die aanleiding vormde voor deze opname, nog verband hield met het verblijf van mw. Riphagen in de rokerige werkruimten van Isala. De in deze brief opgenomen anamnese houdt immers in: patiënte is sinds een aantal weken weer progressief kortademig. Dit is ontstaan na een bezoek in een rokerige ruimte. Met name is mevrouw pieperig en is er sprake van een afgenomen inspanningstolerantie. Ze is niet ziek of verkouden.geweest. Er is sprake van forse bronchiale hyperreactiviteit en allergie voor meerdere middelen.

(iii)

Toch was toen blijkbaar nog geen einde gekomen aan de klachten die naar aanleiding van het verblijf van mw. Riphagen in de rokerige werkruimten van Isala optraden, want in de brief dal. 26 september 2001 van longarts Westermann aan mr. E.F. Muller, advocaat te Deventer, heet het:

(..) Daarna hebben we patiënt opnieuw gezien in 2000 en werd zij opgenomen op de longafdeling van 25 juli t/m 3 augustus 2000 i.v.m. een exacerbatie. Een kopie van de ontslagbrief stuur ik hierbij (opmerking kantonrechter: zie genoemde brief d.d. 3 oktober 2000). Sinds die tijd bleef patiënte kortademig en heeft zij een revalidatieprogramma ondergaan. In maart 2001 moest zij opnieuw worden opgenomen en ook daarvan ontvangt u een kopie van de ontslagbrief (opmerking kantonrechter: zie genoemde brief d.d. 19 april 2001). (..)

(iv)

In feite gold dit laatste ook nog ten tijde van de opname van mw. Riphagen in het Nederlands Astmacentrum te Davos van 9 januari 2002 tot 3 april 2002, zulks blijkens de volgende mededeling in het schrijven d.d. 1 mei 2002 van longarts Rijssenbeek-Nouwens aan genoemde longarts Westermann: (..)Bespreking: 42 jarige patiënte met vanaf haar vroege jeugd astma, verslechtering in tweede zwangerschap en nu sinds 2-3 jaar toenemende klachten in de vorm van frequente infecties, waarbij ze ondanks regelmatige antibioticumkuren, Prednisolonkuren en uiteindelijk onderhoudsdosering met Prednisolon en Doxymycine, last blijft houden van hoesten en purulent sputum, kortademigheidsklachten en moeheid, gecompliceerd door recidiverende sinusitiden.

Als behandeldoelen werden gesteld:

          vermindering van de klachten;

          afbouw van de medicatie;

          verbeteren van de conditie;

          gewichtsreductie;

          psychosociale ondersteuning;

     nader onderzoek van de chronische hoestklachten met purulente sputumproductie, ondanks Prednisolon en Doxycyclinische onderhoudsdosering.

(..) Uiteindelijk is bet klachtenpatroon niet duidelijk verminderd, maar had patiënte wel geleerd om beter met e.e.a. om te gaan. Haar conditie was wel duidelijk verbeterd. Wat betreft de refluxklachten hoop ik dat er in Nederland verder onderzoek en mogelijk therapeutische interventies kunnen plaatsvinden.

Op 2 april 2002 kon patiënte in goede conditie worden ontslagen. (..)

 

3.5.

Isala heeft nog wel gewezen op haar Arbo-informatieboekje uit november 2000, welke een schriftelijke vastlegging bevat van het binnen Isala geldende Arbo‑beleid, ook ten tijde van bet actieve dienstverband van mw. Riphagen. Waar op p. 6 van dat informatieboekje onder meer staat "Het is verboden te roken behalve waar staat aangegeven dat het mag.", heeft Isala echter erkend dat dit beleid gericht was op de brandveiligheid.

 

3.6.

Het meer subsidiaire beroep van Isala op het gegeven dat mw. Riphagen tijdens pauzes welbewust en in de wetenschap dat zij daar mogelijk hinder van zou kunnen ondervinden, in bet rokersgedeelte is gaan zitten (in de kantine geldt een rookverbod, behoudens specifiek daartoe aangewezen gedeelten) kan - gezien hetgeen hiervoor onder 3.2. ‑ 3.5. is overwogen ‑ aan toewijzing van het eerste onderdeel van de vordering van mw. Riphagen niet afdoen en evenmin aan het tweede onderdeel van die vordering; zij het dat het ex artikel 6:101 BW kan worden betrokken in de schadestaatprocedure. Om voormelde reden behoeft het gegeven dat mw. Riphagen bij sociale gelegenheden (jubileumviering) vrijwillig heeft vertoefd in de (rokerige) werkkamer van dr. Westerveld evenmin als het gegeven dat mw. Riphagen tijdens een diner met collega's in een horecagelegenheid is blootgesteld aan sigarettenrook, thans nadere bespreking, hoewel het zich aanstonds als voor de hand liggend opdringt dat deze beide vormen van blootstelling aan sigarettenrook (zo al verwijtbaar, dan toch) in veel mindere mate aan mw. Riphagen kunnen worden toegerekend dan haar verblijf in bet rokersgedeelte van de kantine.

 

3.7.

Gezien het vorenstaande is de vordering van mw. Riphagen toewijsbaar. Isala dient als de in het ongelijk gestelde partij te worden verwezen in de proceskosten.

 

De beslissing

 

De kantonrechter:

 

verklaart voor recht dat Isala aansprakelijk is door de schade die mw. Riphagen heeft geleden, lijdt en zal lijden ten gevolge van het feit dat zij bij Isala heeft gewerkt op een werkplek alwaar werd gerookt;

 

veroordeelt Isala aan mw. Riphagen te voldoen schadevergoeding op te maken bij staat en te vereffenen volgens de Wet;

 

veroordeelt Isala in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van mw. Riphagen begroot op:

-              € 800,00 voor salaris gemachtigde

-              € 77,56 voor explootkosten

-              € 82,00 voor vastrecht;

 

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voornaad.

 

Aldus gewezen door mr. J.F. de Vries, kantonrechter, en uitgesproken in de openbare terechtzitting van 17 juni 2003, in tegenwoordigheid van G.H. van der Heide, griffier.

(jj)