|
B.S.,
2005-12-22 |
|
FEDERALE
OVERHEIDSDIENST VOLKSGEZONDHEID, VEILIGHEID VAN DE VOEDSELKETEN EN
LEEFMILIEU |
13
DECEMBER 2005. - Koninklijk besluit tot het verbieden van het roken in openbare
plaatsen
Sire,
Het
ontwerp van besluit dat wij ter ondertekening aan uwe majesteit voorleggen,
strekt ertoe de bepalingen tot het verbieden van het roken in bepaalde openbare
plaatsen te wijzigen.
Dit
ontwerp past in het kader van het federaal plan ter bestrijding van het
tabaksgebruik.
In
het licht van de gegevens waarover wij thans beschikken, moeten meer dan ooit
maatregelen worden getroffen om het gebruik van tabak in gesloten, voor het
publiek toegankelijke plaatsen te beteugelen.
Het
is allereerst de bedoeling de niet-rokers te beschermen, in het bijzonder op de
werkplaats, maar natuurlijk ook de rokers ertoe aan te zetten minder te roken of
er zelfs helemaal mee te stoppen.
Een
beperking van het tabaksgebruik in openbare plaatsen is tevens een ondersteuning
voor het preventiebeleid door het rollenpatroon van de roker niet langer als «
normaal » voor te stellen.
In
verband met de noodzaak om strengere maatregelen te treffen, stelt Prof.
Klastersky, hoofd van de Dienst Inwendige Geneeskunde van het Jules
Bordetinstituut in Brussel, dat "geen of onvoldoende beperkingen aan het
roken in openbare plaatsen jongeren er ook toe aanzetten te gaan roken en dat
wij hieromtrent absoluut dwingende regels moeten uitvaardigen en er streng de
hand aan dienen te houden". (1)
Een
in Groot-Brittannië gepubliceerde studie herinnert nogmaals aan de gevaren die
met passief tabaksgebruik samenhangen : zo is passief roken op de werkplaats
verantwoordelijk voor 20 % van de sterfgevallen wegens passief roken.
Onder
de sterfgevallen wegens passief roken op de werkplaats bestaat 50 % uit
werknemers uit de horecasector (2).
Een
door het IARC gepubliceerde studie concludeert aldus dat regelmatig passief
roken het longkankerrisico met 20 % tot 30 % verhoogt (3).
De
noodzaak om maatregelen te nemen, die de werknemers beschermen, moet bijgevolg
niet meer worden bewezen.
Een
eerste stap werd gezet door het koninklijk besluit van 19 januari 2005
betreffende de bescherming van de werknemers tegen tabaksrook dat het rookverbod
in de werkruimte invoert.
De
gesloten plaatsen waar voedingsmiddelen ter consumptie worden aangeboden, zijn
evenwel van het toepassingsgebied van het koninklijk besluit van 19 januari 2005
uitgesloten.
In
het verlengde van het recht op een rookvrij sociaal klimaat en de bepalingen van
het besluit van 19 januari 2005 wil dit ontwerp de problematiek van
tabaksverbruik in de horecazaken oplossen, die steeds slechter door de
consumenten wordt ervaren.
Dit
is met name de reden waarom het besluit is opgesteld in nauw overleg en met het
akkoord van de drie Horeca Federaties.
Studies
tonen aan dat een ruime meerderheid van de Belgische bevolking vragende partij
is voor een volledig rookverbod in restaurants (4).
Bijna
150 000 mensen werken in de horecasector in België (5).
Het
merendeel van de banen wordt geleverd door de branche van de horecadiensten, die
werk geeft aan 86 % van de werknemers van de sector in zijn geheel.
Hier
bevindt zich op het vlak van volksgezondheid en bescherming van de werknemers
bijgevolg de dringendste prioriteit.
Er
is al lang een rookverbod in horecazaken ingevoerd in de Verenigde Staten, maar
ook bij onze Europese buren : een dergelijke maatregel is reeds sinds een jaar
van toepassing in Ierland - waar sprake is van een echt succes - en is ook
ingevoerd in Italië, Finland, Malta en Zweden.
Principe
: rookverbod in openbare plaatsen.
Concreet
herinnert dit ontwerp in artikel 2 aan het rookverbod in gesloten plaatsen die
toegankelijk zijn voor het publiek.
Het
gaat hier om plaatsen die niet tot de privé-sfeer behoren.
In
het bijzonder worden instellingen bedoeld waarin zieke of oude personen worden
onthaald en verzorgd, plaatsen waar preventieve of curatieve gezondheidszorgen
worden verstrekt, instellingen waar kinderen of schoolgaande jongeren onthaald,
ondergebracht of verzorgd worden, instellingen waarin onderwijs en/of
beroepsvorming worden verstrekt, plaatsen waar evenementen en/of exposities
worden georganiseerd alsook alle instellingen waar sport beoefend wordt.
Worden
eveneens bedoeld : overheidsplaatsen, stations, luchthavens, winkelgalerijen,
kapsalons en andere handelszaken.
Vaak
vallen deze plaatsen bovendien onder het toepassingsgebied van het koninklijk
besluit van 19 januari 2005.
Een
mogelijkheid om hiervan af te wijken voor drankgelegenheden, frietkramen en
discotheken.
De
tekst houdt rekening met de bijzondere situatie van sommige instellingen.
Meer
bepaald gaat het hier om drankgelegenheden, bepaald als plaatsen waar dranken
met ethylalcohol voor onmiddellijke consumptie worden aangeboden, zonder samen
te gaan met bereide maaltijden.
Concreet
worden hiermee cafés, bars, nachtclubs, discotheken, casino's... bedoeld.
De
uitbaters van deze plaatsen zijn gemachtigd een zone te installeren waarin roken
toegestaan is.
Deze
zone moet beantwoorden aan de voorwaarden die later in dit rapport vermeld
worden.
De
vergunning om een rookzone te installeren wordt toegekend aan de uitbater van
een drankgelegenheid indien hij, op elk moment, kan verzekeren dat hij aan een
van de twee opties beantwoordt :
-
de verhouding bereide maaltijden overschrijdt niet een derde van het geheel van
voedingsmiddelen dat ter consumptie wordt aangeboden;
-
OF de opgediende maaltijden zijn beperkt tot de lijst van de lichte maaltijden,
waardoor het de uitbater niet toegestaan is de werkzaamheid van de restaurateur
uit te oefenen zoals beschreven in de reglementering ter invoering van de
bepaling van de voorwaarden voor de uitoefening van de werkzaamheid van
restaurateur (koninklijk besluit van 13 juni 1984).
Deze
verhouding van 1/3e kan in aankoopcijfers worden uitgedrukt indien de
verzoeker een instelling uitbaat of in verkoopcijfers indien hij er meerdere
uitbaat.
Deze
dubbele mogelijkheid is te wijten aan de praktische moeilijkheid voor de
uitbater van verschillende instellingen om de globale aankopen van producten
bestemd voor de bereiding en de verkoop van maaltijden voor al zijn instellingen
samen, per instelling te preciseren. Daarom heeft deze laatste de mogelijkheid
om per instelling de verkoopcijfers te verschaffen.
De
oppervlakte van de zone waarin gerookt mag worden, mag niet meer dan de helft
omvatten van de totale oppervlakte van de ruimtes waarin de voedingsmiddelen
opgediend worden. De ruimtes bestemd voor de vestiaires, de keukens, de
toiletten alsook de gangen van de instellingen worden niet meegerekend bij de
afbakening van de totale oppervlakte.
De
rookzone moet bovendien ook beantwoorden aan de voorwaarden bepaald in de vierde
paragraaf van artikel 3 van de tekst.
Drankgelegenheden
waarvan de oppervlakte minder dan 50 vierkante meter bedraagt zijn niet
verplicht een niet-rokerszone te voorzien.
De
aanvullende voorwaarden waaraan de drankgelegenheden waarin het toegestaan is te
roken, moeten beantwoorden, moeten nog vastgelegd worden.
Het
gaat hier in het bijzonder om regels inzake het ventilatie - en
luchtverversingssysteem dat gewaarborgd moet zijn in elke instelling waar
personen aan tabaksrook blootgesteld zijn.
Er
is voorzien dat deze voorwaarden bij ministerieel besluit worden bepaald.
De
Minister bepaalt eveneens de voorwaarden voor de affichering die het voor elkeen
mogelijk moet maken de instellingen waar gerookt wordt te identificeren en deze
met kennis van zaken te bezoeken.
Tenslotte
kan een uitbater van een drankgelegenheid in een gesloten openbare plaats waar
krachtens artikel 2 een rookverbod geldt, in geen geval een aanvraag tot
afwijking indienen.
We
denken hierbij meer bepaald aan cafés en bars in ziekenhuizen, sportzalen,
speelzalen voor kinderen, culturele centra, expositieruimtes, enz. die niet
afgesloten zijn van de hoofdruimte door wanden, noch voorzien zijn van een
plafond.
In
deze instellingen geldt dus een totaal rookverbod.
De
situatie is dezelfde voor de uitbaters van drankgelegenheden in een sportruimte.
Het
gaat hier over bars in zalen voor lichamelijke opvoeding, in gymnastiekzalen en
in elke instelling voor fysieke en sportactiviteiten die binnen of in open lucht
worden beoefend.
De
uitbater van een frietkraam, omschreven als een instelling waar maaltijden
verbruikt worden die uitsluitend in frietvet of olie gebakken zijn en waar een
maximaal aantal klanten tegelijkertijd bediend kan worden, is gemachtigd een
rookzone te installeren in naleving van de voorwaarden omtrent de oppervlakte en
de plaatsing die hierboven werden aangehaald.
De
mogelijkheid een rookkamer te voorzien.
Er
wordt een bijzondere mogelijkheid voorzien voor Horeca instellingen naast de
drankgelegenheden, bepaald als elke voor het publiek toegankelijke plaats of
lokaal, ongeacht de toegangsvoorwaarden, waar maaltijden en/of dranken voor
consumptie al dan niet ter plaatse worden bereid en/of opgediend, en dit zelfs
gratis.
Concreet
richt men zich hier tot restaurants, snackbars, cafetaria's, sommige café-restaurants,
broodjeszaken, theesalons, kantines, ijssalons, pannenkoekenrestaurants en
andere verbruiksalons.
In
die plaatsen is het rookverbod van toepassing, maar wordt aan de uitbater van de
zaak de mogelijkheid gelaten om een rookkamer te installeren die voldoet aan
bepaalde criteria die zijn bepaald in paragraaf twee van artikel 4.
In
zijn advies 39/108/3 van 20 oktober 2005, heeft de Raad van State, voor wat
artikel 4, de eerste paragraaf betreft, voorgesteld drankgelegenheden uit te
sluiten van de categorie van Horeca instellingen waar een rookverbod geldt, maar
waar een rookkamer onder bepaalde voorwaarden mag worden geïnstalleerd.
Deze
uitsluiting zou volgens ons tot gevolg hebben dat de uitbater van een
drankgelegenheid een rookkamer kan installeren die aan geen enkel criterium
beantwoordt zoals bepaald in paragraaf twee van artikel vier. Daarom is er geen
rekening gehouden met dit advies.
De
aanvullende criteria waaraan een rookkamer moet voldoen, moeten nog vastgesteld
worden. Voor de drankgelegenheden gaat het om het vaststellen van de regels
omtrent de ventilatie- en luchtverversingssystemen die in deze gesloten ruimtes
verzekerd moeten zijn.
De
oppervlakte van de rookkamer mag niet meer bedragen dan een vierde van de totale
oppervlakte van de ruimten waarin voedingsmiddelen worden opgediend. De ruimtes
bestemd voor de vestiaires, de keukens, de toiletten alsook de gangen van de
instellingen worden niet meegerekend bij de afbakening van de totale
oppervlakte.
Tenslotte
rust de naleving van de bepalingen omtrent een verbod of beperking op roken in
openbare plaatsen op het principe van gedeelde verantwoordelijkheid. Voor zover
betrokken, zijn zowel de uitbaters als de klanten of de bezoekers
verantwoordelijk voor de naleving van het besluit.
De
inwerkingtreding van het besluit is voorzien voor 1 januari 2006 zodat ze
overeenstemt met de inwerkingtreding van het koninklijk besluit van 19 januari
2005 betreffende bescherming van de werknemers tegen tabaksrook.
Voor
wat de Horeca instellingen betreft, is de datum van inwerkingtreding vastgelegd
op één januari 2007.
De
Belgische wetgeving past zich met deze tekst aan een algemene tendens binnen de
Europese Unie aan.
Op
die manier kan een nieuwe fase van het Federaal Plan ter bestrijding van het
tabaksgebruik worden ingezet.
Ik
heb de eer te zijn,
Sire,
Van
Uwe Majesteit,
de
zeer eerbiedige
en
zeer getrouwe dienaar.
De
Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid,
R.
DEMOTTE
_______
Nota's
(1)
Bordet, Vaincre le Cancer à tout prix, n° 67, Les Amis de l'Institut Bordet,
2003.
(2)
BMJ, doi : 10.1136/bmj.38370.496632.8F, 2 maart 2005
(3)
International Agency for research on cancer, Tobacco smoking and involuntary
smoking, IARC Monographs on the evaluation of carcinogenic risk to humans,
vol.83, Lyons : IARC, 2004.
(4)
Uit een studie van de Federatie tegen Kanker blijkt dat 58 % van de ondervraagde
personen positief staat tegenover een totaal rookverbod in restaurants, dat 28 %
hiertegen is gekant en dat 14 % geen mening heeft.
(5)
Cijfers van de Vlaamse Horecafederatie - www.fedhorecavlaanderen.be.
De
Raad van State, afdeling wetgeving, derde kamer, op 20 september 2005 door de
Minister van Volksgezondheid verzocht hem, binnen een termijn van dertig dagen,
van advies te dienen over een ontwerp van koninklijk besluit "tot het
verbieden van het roken in gesloten plaatsen toegankelijk voor het
publiek", heeft op 11 oktober 2005 het volgende advies gegeven :
1.
Met toepassing van artikel 84, § 3, eerste lid, van de gecoördineerde wetten
op de Raad van State, heeft de afdeling wetgeving zich toegespitst op het
onderzoek van de bevoegdheid van de steller van de handeling, van de
rechtsgrond, alsmede van de te vervullen vormvereisten.
Daarnaast
bevat dit advies ook een aantal opmerkingen over andere punten. Daaruit mag
echter niet worden afgeleid dat de afdeling wetgeving binnen de haar toegemeten
termijn een exhaustief onderzoek van het ontwerp heeft kunnen verrichten.
2.
Het voor advies voorgelegde ontwerp van koninklijk besluit beoogt een verbod op
te leggen voor het roken in gesloten plaatsen toegankelijk voor het publiek. Het
ontworpen besluit is bedoeld om in de plaats te komen van het koninklijk besluit
van 15 mei 1990 tot het verbieden van het roken in bepaalde openbare plaatsen.
Artikel 7 van het ontworpen koninklijk besluit voorziet in de opheffing van dat
koninklijk besluit van 15 mei 1990.
Artikel
1 van het ontwerp definieert een aantal begrippen. Vervolgens stelt artikel 2
een principieel rookverbod in dat geldt in gesloten plaatsen die voor het
publiek toegankelijk zijn. Artikel 3 bevat afwijkingen op het principiële
rookverbod. Artikel 4 bevat de voorschriften voor rookkamers die kunnen worden
ingericht in horeca-inrichtingen waar roken verboden is. Artikel 5 stelt de
uitbater en de klant, elkeen voor wat hem betreft, verantwoordelijk voor het
naleven van de bepalingen van dit besluit. Artikel 6 heeft betrekking op de
opsporing, de vervolging en de bestraffing van de overtredingen van het
ontworpen besluit. Luidens artikel 8 zou het ontworpen besluit in werking treden
op 1 januari 2007.
3.
De meeste bepalingen van het ontworpen koninklijk besluit vinden rechtsgrond in
artikel 7, § 3, van de wet van 24 januari 1977 betreffende de bescherming van
de gezondheid van de verbruikers op het stuk van de voedingsmiddelen en andere
producten. Luidens die wetsbepaling kan de Koning, op voorstel of na advies van
de Hoge Gezondheidsraad, het gebruik van tabak, producten op basis van tabak en
soortgelijke producten in openbare plaatsen en vervoermiddelen beperken of
verbieden.
3.1.
Artikel 3, § 2, eerste lid, van het ontwerp verleent het Federaal Agentschap
voor de Veiligheid van de Voedselketen (FAVV) de opdracht tot het verlenen van
toelatingen om een rokerszone te installeren.
Deze
bepaling vindt mede rechtsgrond in artikel 5, tweede lid, 9/, van de wet van 4
februari 2000 houdende oprichting van het Federaal Agentschap voor de Veiligheid
van de Voedselketen. Luidens die bepaling is het Agentschap, in het kader van de
in artikel 4 van die wet beschreven bevoegdheden, ook bevoegd voor de voornoemde
wet van 24 januari 1977.
3.2.
Artikel 6, tweede lid, van het ontwerp legt een verplichting tot verslaggeving
op aan "de diensten belast met de controle op de naleving van onderhavige
bepalingen". Volgens de gemachtigde ambtenaar wordt met deze diensten het
FAVVbedoeld.
Een
dergelijke bepaling vindt mede rechtsgrond in artikel 4, § 6, eerste lid, van
de voornoemde wet van 4 februari 2000, welke bepaling de Koning machtigt,
teneinde de coherentie en de doeltreffendheid van de controletaken te bewaren,
om bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, aan het Agentschap
bijkomende opdrachten toe te vertrouwen betreffende de in artikel 5 opgesomde
wetten. Overeenkomstig die wetsbepaling dient het ontwerp alsnog in de
Ministerraad te worden overlegd.
Aanhef
4.
Rekening houdende met de opmerkingen 3.1 en 3.2, moet in de aanhef, na het
eerste lid, een lid worden ingevoegd, waarin wordt verwezen naar de artikelen 4,
§ 6, en 5 van de wet van 4 februari 2000 houdende oprichting van het Federaal
Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen.
5.
In het vierde lid van de aanhef schrijve men : "artikel 84, § 1, eerste
lid",
6.
De considerans in het vijfde lid van de aanhef dient te worden weggelaten.De
aldaar vermelde richtlijn is immers te dezen niet van toepassing.
Voordrachtformule
7.
Rekening houdende met opmerking 3.2, zal de voordrachtformule er blijk moeten
van geven dat het ontworpen koninklijk besluit in de Ministerraad werd overlegd.
Dispositief
Algemene
opmerking
8.
De kwaliteit van de Nederlandse tekst laat te wensen over en moet grondig worden
nagekeken. Dat is, bij wijze van voorbeeld, het geval met artikel 1, 4°
("lokaliteit"), artikel 1, 6° ("zonder bijgaande bereide
schotels"), artikel 3, § 2, tweede lid ("instelling"), artikel
3, § 2, tweede lid, inleidende zin ("als" is overbodig), artikel 3,
§ 2, tweede lid, tweede streepje (men leze "het aandeel van de verkoop van
maaltijden"),artikel 3, § 3 ("opstelt"), artikel 3, § 6 (de
woorden "le détenteur d'" zijn niet weergegeven in de Nederlandse
tekst) en artikel 8, tweede lid ("huidig artikel").
Bijzondere
opmerkingen
Artikel
2
9.
In de Nederlandse tekst van het eerste lid van dit artikel moet het teken "§
1" worden weggelaten.
10.
De Franse en de Nederlandse tekst van het tweede lid van artikel 2 zijn niet in
overeenstemming met elkaar. Vermits er geen bijlage is gevoegd bij het ontwerp,
dient de Nederlandse tekst in overeenstemming te worden gebracht met de Franse
tekst.
Artikel
3
11.
Paragraaf 3 van dit artikel bepaalt de voorwaarden voor het verkrijgen van een
toelating voor het inrichten van een rokerszone in een nieuwe inrichting.
Volgens
de gemachtigde ambtenaar zijn die voorwaarden analoog aan die welke worden
opgelegd bij artikel 3, § 2, tweede lid, van het ontwerp, zodat door de
betrokkene ook een schatting moet worden gemaakt van de aankoop van de dranken,
en van de totale verkopen.
De
ontworpen bepaling dient dan ook in die zin te worden aangevuld.
12.
In paragraaf 4, derde lid, schrijve men "De oppervlakte ervan..." in
plaats van "Zijn oppervlakte... » .
13.
In paragraaf 5 schrijve men "bijkomende voorwaarden" in plaats van
"voorwaarden".
Voorts
schrijve men, om elke verwarring te voorkomen "drankgelegenheden" in
plaats van "Horeca-inrichtingen". In artikel 4, § 1, van het ontwerp
dient dan geschreven te worden "Horeca-inrichtingen met uitzondering van de
drankgelegenheden" in plaats van "Horeca-inrichtingen".
Artikel
6
14.
Dit artikel heeft betrekking op de bestraffing van overtredingen van de
onderscheiden bepalingen van het ontworpen besluit.
In
die bepalingen wordt gewag gemaakt van de houder van een drankgelegenheid
(artikel 3, §§ 1 en 2, eerste lid), de houder van de instelling (artikel 3,
§§ 2, tweede lid, en 3), de beheerders van de plaatsen (artikel 3, § 4,
vierde lid), of de uitbater (artikel 5).
De
bedoelde personen dienen nader te worden omschreven, om een correcte toepassing
van de strafbepalingen te kunnen waarborgen.
Artikel
8
15.
Volgens het eerste lid van dit artikel treedt het ontworpen besluit in werking p
1 januari 2007.
In
afwijking hiervan, wordt in het tweede lid bepaald dat "de instellingen
vanaf de publicatie van het huidig artikel in het Belgisch Staatsblad en tot 31
december 2006, hetzij de bepalingen (...) van het huidig koninklijk besluit,
hetzij de bepalingen van het koninklijk besluit van 15 mei 1990...
naleven".
Volgens
de gemachtigde ambtenaar kan het ontworpen tweede lid uit artikel 8 worden
weggelaten. Vermits de voorliggende regeling strenger is dan de geldende, aldus
de gemachtigde ambtenaar, beantwoorden "nieuwe" inrichtingen ook aan
de thans geldende regeling indien zij investeringen doen in functie van de
regeling die in werking treedt op 1 januari 2007.
De
kamer was samengesteld uit :
De
heren :
W.
Deroover, eerste voorzitter;
D.
Albrecht en B. Seutin, staatsraden;
H.
Cousy en J. Velaers, assessoren van de afdeling wetgeving;
Mevr.
A.-M. Goossens, griffier.
Het
verslag werd uitgebracht door Mevr. K. Bams, auditeur.
(...)
De
griffier,
A.-M.
Goossens.
De
eerste voorziter,
W.
Deroover.
13
DECEMBER 2005. - Koninklijk besluit tot het verbieden van het roken in openbare
plaatsen
ALBERT
II, Koning der Belgen,
Aan
allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
Gelet
op de wet van 24 januari 1977 betreffende de bescherming van de gezondheid van
de verbruikers op het stuk van de voedingsmiddelen en andere producten,
inzonderheid op artikel 7, § 3;
Gelet
op het koninklijk besluit van 15 mei 1990 tot het verbieden van het roken in
bepaalde openbare plaatsen gewijzigd door de koninklijke besluiten van 2 januari
1991 en 7 februari 1991;
Gelet
op het advies van de Hoge Gezondheidsraad, gegeven op 16 september 2005;
Gelet
op advies 39.108/3 van de Raad van State, gegeven op 20 oktober 2005, met
toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten
op de Raad van State;
Op
de voordracht van Onze Minister van Volksgezondheid,
Hebben
Wij besloten en besluiten Wij :
Artikel
1. Voor de toepassing van onderhavig besluit, wordt verstaan onder :
1°
roken : het roken van producten op basis van tabak of van soortgelijke
producten;
2°
gesloten plaats : plaats door wanden afgesloten van de omgeving en voorzien van
een plafond;
3°
plaats toegankelijk voor het publiek : plaats waarvan de toegang niet beperkt is
tot de gezinssfeer;
4°
horeca-inrichting : elke voor het publiek toegankelijke plaats of lokaal,
ongeacht de toegangsvoorwaarden, waar maaltijden en/of dranken voor consumptie
al dan niet ter plaatse worden bereid en/of opgediend, en dit zelfs gratis.
Worden gelijkgesteld met een horeca-inrichting : alle voor het publiek
toegankelijke plaatsen of lokalen waar leden van een vereniging of van een
groepering en hun genodigden en/of bezoekers bijeenkomen, en dit ongeacht de
toegangsvoorwaarden, om maaltijden en/of dranken te gebruiken. De minister kan
een uitzondering voorzien voor deze gelijkstelling voor strikt
gelegenheids-gebonden evenementen;
5°
dranken met ethylalcohol : de dranken zoals bedoeld in artikel 16 van de wet van
7 januari 1998 betreffende de structuur en de accijnstarieven op alcohol en
alcoholhoudende dranken;
6°
drankgelegenheid : plaats waar dranken met ethylalcohol voor onmiddellijke
consumptie aan het publiek mogen worden aangeboden zonder samen te gaan met
bereide maaltijden;
7°
frietkraam : plaats waarvan de belangrijkste activiteit bestaat uit het bereiden
en opdienen, voor onmiddelijke consumptie en in wegwerpbakjes, van maaltijden
die uitsluitend in frietvet of olie zijn gebakken of opgewarmd. De plaats moet
op dergelijke wijze uitgerust of ingericht zijn dat een maximaal aantal
personen, door de Minister te bepalen, er tegelijkertijd kan verbruiken;
8°
rookkamer : afgesloten ruimte waar mag gerookt worden;
9°
Minister : de Minister die Volksgezondheid in zijn bevoegdheden heeft.
Art.
2. Het is verboden te roken in gesloten plaatsen die voor het publiek
toegankelijk zijn.
Aan
de ingang van elke plaats zoals bedoeld in het eerste lid, moeten
rookverbodstekens worden aangebracht conform met het (de) model(len) vastgesteld
of goedgekeurd door de Minister van Volksgezondheid zodat iedereen er kennis van
kan nemen.
Art.
3. § 1. Niettegenstaande de bepalingen van artikel 2, kan de uitbater van een
drankgelegenheid, of het gaat om een fysiek persoon of een rechtspersoon, een
zone die duidelijk afgebakend is, installeren, waar het toegestaan is te roken
volgens de vormen en voorwaarden voorzien in volgende paragrafen.
§
2. De mogelijkheid om een zone, die duidelijk afgebakend is, te installeren,
waar het toegestaan is te roken, wordt toegekend :
-
hetzij aan de uitbater van de instelling die op zijn erewoord bevestigt dat,
voor deze instelling, het aandeel van aankopen van producten bestemd voor het
maken en verkopen van maaltijden niet een derde van de totale aankoop van
dranken en voedingsmiddelen overschrijdt;
-
hetzij aan de uitbater van meer dan één instelling die op zijn erewoord
bevestigt dat, voor deze instelling, het aandeel van maalt-ijden niet een derde
van de totale verkopen van voedingsmiddelen overschrijdt;
-
hetzij aan de uitbater van een instelling die op zijn erewoord bevestigt dat hij
uitsluitend lichte maaltijden opdient, bepaald in artikel 2, § 2, 1°, van het
koninklijk besluit tot bepaling van de voorwaarden tot uitoefening van de
beroepswerkzaamheid van restaurateur of van traiteur-banketaannemer in de kleine
en middelgrote handels- en ambachtsondernemingen.
§
3. Deze mogelijkheid bestaat ook voor elke persoon die een instelling opent of
overneemt op basis van een raming :
-
in het geval hij één instelling opent of overneemt, van het deel van de
aankopen van producten bestemd voor het maken en verkopen van maaltijden in
verhouding tot de totale aankopen van dranken en levensmiddelen;
-
in het geval hij meerdere instellingen opent of overneemt, van het deel van de
verkopen van maaltijden in verhouding tot de totale verkopen van levensmiddelen.
§
4 De ruimte gereserveerd voor rokers moet aangeduid worden door allerhande
middelen die het mogelijk maken ze te situeren.
Ze
moet zodanig ingericht zijn dat de ongemakken van de rook ten opzichte van
niet-rokers maximaal verminderd worden.
De
oppervlakte ervan moet minder dan de helft van de totale oppervlakte van de
plaats waarin maaltijden en/of dranken ter consumptie worden opgediend, behalve
indien deze totale oppervlakte minder dan 50 vierkante meter bedraagt.
Een
of meerdere tekens om te herinneren aan het rookverbod in de ruimtes
gereserveerd voor niet-rokers moeten geplaatst worden op die manier dat iedereen
er kennis van kan nemen.
§
5. De Minister stelt vast de bijkomende voorwaarden waaraan drankgelegenheden
moeten voldoen waarin roken toegelaten is. Deze voorwaarden hebben betrekking op
:
-
de installatie van een ventilatiesysteem dat een minimaal volume van
luchtverversing verzekert;
-
het aanbrengen van duidelijke tekens om aan te tonen dat het een instellingen
betreft waar gerookt wordt.
§
6. Niettegenstaande de bepalingen van § 1, kan niet genieten van een toelating
om een zone die duidelijk afgebakend is te installeren, waar het toegestaan is
te roken :
-
de uitbater van een drankgelegenheid die gesitueerd is in een gesloten plaats
toegankelijk voor het publiek als die instelling niet afgesloten is met wanden
en een zoldering van die plaats;
-
de uitbater van een drankgelegenheid gelegen in een sportruimte.
Art.
4. Niettegenstaande de bepalingen van artikel 2, mag de uitbater van een
frietkraam een zone die duidelijk afgebakend is installeren, waar het toegestaan
is te roken volgens de voorwaarden voorzien in artikel 3, § 4.
Art.
5. § 1. Niettegenstaande de bepalingen van artikel 2, mag in
Horeca-inrichtingen waar roken verboden is krachtens onderhavig besluit, een
rookkamer die beantwoordt aan de voorwaarden van § 2 van onderhavig artikel
ingericht worden.
§
2 De rookkamer moet duidelijk als lokaal voor rokers worden geïdentificeerd en
enkel dranken mogen er worden aangeboden.
In
de rookkamer moet een rookafzuigsysteem of een verluchtingssysteem geïnstalleerd
zijn.
De
rookkamer moet zodanig ingericht zijn dat de ongemakken van de rook ten opzichte
van niet-rokers maximaal verminderd worden en mag geen doorgangszone zijn.
De
oppervlakte van de rookkamer mag niet meer bedragen dan een vierde van de totale
oppervlakte van het lokaal waarin maaltijden en/of dranken ter consumptie
opgediend worden.
De
Minister bepaalt de bijkomende voorwaarden waaraan de rookkamer moet
beantwoorden.
Art.
6. De uitbater en de klant, elkeen voor wat hem aangaat, van een Horeca
instelling zoals bedoeld door de artikelen 2, 3, 4 et 5 is verantwoordelijk voor
de naleving van de bepalingen van dit besluit in zijn inrichting.
Art.
7. Overtredingen van dit besluit worden opgespoord, vervolgd en gestraft
overeenkomstig de wet van 24 januari 1977 betreffende de bescherming van de
gezondheid van de verbruikers op het stuk van de voedingsmiddelen en andere
producten.
Art.
8. Onverminderd artikel 9, het besluit van 15 mei 1990 tot het verbieden van het
roken in bepaalde openbare plaatsen wordt opgeheven.
Art.
9. Dit besluit treedt in werking op 1 januari 2006.
Bij
wijze van overgansmaatregel, mogen de Horeca instellingen voldoen aan de
bepalingen van het koninklijk besluit van 15 mei 1990 en dit tot 1 januari 2007.
Art.
10. Onze Minister van Volksgezondheid is belast met de uitvoering van dit
besluit.
Gegeven
te Brussel, 13 december 2005.
ALBERT
Van
Koningswege :
De
Minister van Volksgezondheid,
R.
DEMOTTE