Koninklijk besluit van 15 september 1976 houdende reglement op de politie van personenvervoer per tram, pre-metro, metro, autobus en autocar


 

 

Gewijzigd door

Koninklijk besluit van 3.8.1977 (Staatsblad 26.8.1977)

Koninklijk besluit van 18.2.1981 (Staatsblad 18.3.1981)

Koninklijk besluit van 15.6.1983 (Staatsblad 18.8.1983)

Koninklijk besluit van 12.6.1984 (Staatsblad 28.8.1984)

Koninklijk besluit van 20.9.1985 (Staatsblad 30.10.1985)

Koninklijk besluit van 16.10.1986 (Staatsblad 25.11.1986)

Koninklijk besluit van 21.2.1991 (Staatsblad 20.3.1991)

Koninklijk besluit van 18.9.1991 (Staatsblad 23.10.1991)

Koninklijk besluit van 17.5.2002 (Staatsblad 17.7.2002)

 

Decreet van het Waals Gewest 4.2.1999 (Staatsblad 16.2.1999 - ed. 2)

 

 

 

Inhoudstafel

 

TITEL I -                  Verplichtingen van de uitbater en zijn personeel

 

HOOFDSTUK I - Infrastructuur (art. 1 - 6)

HOOFDSTUK II - Rollend spoormaterieel (art. 7 - 18)

HOOFDSTUK III - Rollend materieel autobus (art. 19 - 20)

HOOFDSTUK IV - Rollend materieel autocar (art. 21)

HOOFDSTUK V - Noodwendigheden van de uitbating (art. 22 - 25)

HOOFDSTUK VI - Verplichtingen van het dienstpersoneel (art. 26 - 32)

 

TITEL II -                  Verplichtingen van het publiek en de reizigers

 

HOOFDSTUK I - Verplichtingen van het publiek in het algemeen (art. 33 - 34)

HOOFDSTUK II - Verplichtingen van de reizigers (art. 35 - 38)

 

TITEL III - Overgangsbepalingen en afwijkingen - Vaststelling der overtredingen en sancties - Algemene bepalingen

 

HOOFDSTUK I - Overgangsbepalingen en afwijkingen (art. 39 - 40)

HOOFDSTUK II - Vaststelling der overtredingen en sancties (art. 41)

HOOFDSTUK III - Algemene bepalingen (art. 42 - 44)

 

 

 

 

 

TITEL I - Verplichtingen van de uitbater en zijn personeel

 

 

 

HOOFDSTUK I - Infrastructuur

 

 

Artikel 1

 

De uitbater draagt er zorg voor dat de sporen en spoortoestellen voortdurend in goede staat gehouden worden zodat het verkeer steeds gemakkelijk en veilig kan geschieden.

Ingeval de sporen zich in de rijbaan bevinden mag de toestand van het rijvakgedeelte, waarvan het onderhoud ten laste van de uitbater valt, het algemeen verkeer in niets beletten of hinderen.

Het onderhoud van het spoor, gelegen buiten de rijbaan, valt, behoudens andersluidende bepalingen, uitsluitend ten laste van de uitbater.

Wat de werken en de signalisatie der werven betreft dient de uitbater zich te houden aan de verplichtingen door de beheerder van de wegenis opgelegd, evenals aan de voorschriften geldend inzake wegverkeer en wegsignalisatie.

 

 

Artikel 2

 

Bij tram- of pre-metro uitbating gebeurt de voeding van de voertuigen met elektrische aandrijving steeds met luchtleidingen. Voor de sporen, op het niveau van de rijbaan mag de hoogte van de luchtleiding niet kleiner zijn dan 4,5 m behoudens speciale afwijking.

Ingeval, bij metro-uitbating, de voeding door een derde rail wordt verzekerd, moeten de nodige maatregelen genomen worden om te beletten dat een persoon, die op het spoor valt, in kontakt komt met delen die onder spanning staan.

 

 

Artikel 3

 

De lokalen, bestemd voor het publiek en waarover de uitbater het beheer heeft, dienen steeds in een volkomen reine toestand te worden gehouden. De verlichtingssterkte in deze lokalen mag niet kleiner zijn dan 100 lux, gemeten in een vlak op 1 m boven de vloer. Het bedieningsbord van de elektrische verlichting mag niet voor het publiek bereikbaar zijn.

Deze lokalen dienen voorzien te zijn van brandbestrijdingsmaterieel overeenkomstig de terzake geldende reglementering.

De uitbater moet op deze lokalen toezicht houden.

In elk metro of pre-metrostation en in elk tram- of autobusstation dienen, op een voor het publiek goed zichtbaar bord, volgende aanwijzingen te worden uitgehangen:

-       een dienstregeling of bericht dat de doorgangsfrekwentie van de voertuigen aangeeft;

-       de tekst van titel II van dit reglement;

-       een netkaart met de aansluitingspunten.

 

 

Artikel 4

 

De aan de halten opgerichte schuilhuisjes moeten het komfort en de veiligheid van de reizigers verzekeren.

[...]

De beheerder van de schuilhuisjes houdt deze in een volkomen reine toestand.

Een voldoende ruimte dient te worden voorbehouden ter informatie van de reizigers.

Geen schuilhuisje mag worden opgericht zonder gunstig advies van de uitbater.

 

Het tweede lid opgeheven bij art. 1, K.B. 20.9.1985.

 

 

Artikel 5

 

   [De halten moeten gesignaleerd worden door middel van een plaat met de aanduiding "Tram", "Autobus" of "Bus", in letters van ten minste 3,5 cm hoog].

Deze plaat, aangebracht op een hoogte van minstens 2 m, moet goed zichtbaar zijn zowel voor de weggebruikers als voor de bestuurders van de voertuigen van de uitbater.

Een tweede plaat dient te worden aangebracht indien de zichtbaarheid ontoereikend wordt geoordeeld.

       Deze aanduidingen mogen vervangen worden door genormaliseerde pictogrammen.

   a)   Iedere halte is voorzien van een dienstregeling of een bord dat de doorgangsfrekwentie aangeeft van de voertuigen van de uitbater;

       b)   de halteborden moeten 's nachts hetzij door de openbare, hetzij door de eigen verlichting voldoende zichtbaar zijn.

   De uitbater is vrijgesteld van de sub. 2° a voorgeschreven verplichting indien deze praktisch niet uitvoerbaar is.

   In de zones met beperkte bewoningsdichtheid, is de uitbater vrijgesteld van de verplichting voorzien sub. 2° b.

 

Het 1°, eerste lid gewijzigd bij art. 2, K.B. 20.9.1985.

 

 

Artikel 6

 

   Wanneer een lijnvak op enkel spoor ligt worden de voertuigen er slechts door een lichtsein toegelaten.

Dit sein dient zodanig te worden geplaatst dat het minstens op 50 m zichtbaar is. In elk geval omvat het een rood licht dat de toegang tot het besproken vak verbiedt wanneer een voertuig uit tegenovergestelde richting aankomt.

Wanneer het rechte korte vakken betreft met een uitstekende zichtbaarheid over heel de lengte, is de uitbater nochtans niet verplicht die signalisatie aan te brengen.

   Om het verkeer van de voertuigen bestemd voor openbaar vervoer te beveiligen en te versnellen wordt, wanneer de omstandigheden dit vereisen en in samenwerking met de beheerder van de wegenis, een eigen signalisatie aangebracht.

 

 

 

HOOFDSTUK II - Rollend spoormaterieel

 

 

Artikel 7

 

[Al de voertuigen moeten met twee soorten remmen uitgerust zijn:

   een bedrijfsrem;

   een parkeerrem.

Deze twee remmen dienen zodanig te worden aangebracht dat zij vanaf de plaats van de bestuurder kunnen worden bediend.

Wanneer een noodremming wordt uitgevoerd met de bedrijfsrem, moet, in geladen toestand op horizontale droge sporen, bij een snelheid van 40 km/uur, een gemiddelde vertraging van ten minste 1,5 m/s2 worden bereikt.

De snelheid voor de remming moet zodanig geregeld zijn dat de snelheid van 40 km/uur bekomen wordt in de zone waar de vertraging gestabiliseerd is en de gemiddelde vertraging moet gemeten worden tussen 40 km/uur en 10 km/uur.

De aangehouden vertraging is gelijk aan de verhouding tussen de integraal van de vertraging berekend tussen de snelheden van 40 km/uur en 10 km/uur en de nodige tijd voor die vertraging.

De niet automatisch bediende voertuigen zijn uitgerust met een toestel dat, bij lichamelijke in gebreke blijven van de bestuurder, het voertuig onmiddellijk tot stilstand brengt.

Geen enkel voertuig mag in dienst worden genomen zonder controle van de doeltreffendheid van het remsysteem door het Bestuur van het Vervoer.]

 

Het artikel vervangen bij art. 3, K.B. 20.9.1985.

 

 

Artikel 8

 

Elk voertuig moet aan de buitenzijde, vooraan, achteraan en op de zijwanden een herkenningsnummer dragen. De tussenvoertuigen van permanent gekoppelde meervoudige eenheden dragen dit nummer op de zijwanden.

Dit moet eveneens aangebracht worden aan de binnenzijde van de voertuigen, doch slechts voor- en achteraan.

De hoogte van de letters en de cijfers bedraagt minstens:

-       aan de buitenzijde 7 cm,

-       aan de binnenzijde 3 cm.

Het reglementair aantal zitplaatsen en staanplaatsen is in goed leesbare cijfers aan de binnenzijde van het voertuig vermeld.

 

 

Artikel 9

 

[De voertuigen dragen voor- en achteraan een opschrift met:

-       hetzij het nummer of de kenletter van de bediende lijn, ten minste 15 cm hoog en de vermelding van de voornaamste punten van de gevolgde reisweg, in letters van ten minste 5 cm hoog;

-       hetzij het nummer of de kenletter van de bediende lijn, ten minste 15 cm hoog, aangevuld met de naam van de plaats van bestemming, in letters van ten minste 5 cm hoog.

De voertuigen dragen op de zijkant een opschrift met:

-       hetzij het nummer of de kenletter van de bediende lijn, ten minste 5 cm hoog, aangevuld met de naam van de plaats van bestemming, in letters van ten minste 3 cm hoog, tenzij de richting aan de haltes is aangegeven;

-       hetzij het nummer of de kenletter van de bediende lijn, ten minste 5 cm hoog, aangevuld met de naam van de plaats van bestemming, in letters van ten minste 3 cm hoog.

Voor de metrovoertuigen volstaat een opschrift vooraan, dat de bestemming aangeeft in letters van ten minste 5 cm hoog.

Wanneer nodig worden deze aanduidingen verlicht.]

 

Het artikel vervangen bij art. 4, K.B. 20.9.1985.

 

 

 

 

 

Artikel 10

 

De trams zijn voorzien van een toestel dat de reizigers toelaat de halten aan te vragen. Dit toestel moet lager dan 1,65 m boven de vloer van het rijtuig worden aangebracht en gemakkelijk bereikbaar zijn.

De trams en de voertuigen voor metro-uitbating zijn bovendien uitgerust met een, voor de reizigers goed zichtbaar en gemakkelijk te bereiken noodsein.

 

 

Artikel 11

 

De ruiten van de voertuigen moeten altijd aan de reizigers een uitstekend zicht bieden.

Het aanbrengen van berichten op de ruiten is verboden.

 

 

Artikel 12

 

De deuren mogen uitsluitend gesloten en ontgrendeld worden door het personeel van de uitbater.

Ten behoeve van de reizigers dient nochtans aan minstens twee deuren per voertuig een inrichting te worden voorzien die het openen in geval van nood toelaat.

In normale omstandigheden maakt een veiligheidssysteem het vertrek van het voertuig onmogelijk ingeval de deuren niet gesloten zijn.

 

 

Artikel 13

 

Het gezichtsveld van de bestuurder moet volledig vrij zijn. De voorruit moet steeds volkomen doorzichtig zijn, geen gebreken vertonen en voorzien zijn van minstens één ruitenwisser.

Het moet mogelijk zijn op elk ogenblik op het in- en uitstappen van de reizigers toezicht te houden.

 

 

Artikel 14

 

In de as van het voertuig op 1 m boven de vloer moet de verlichtingssterkte meer dan 100 lux bedragen.

Deze verlichtingssterkte zal lager zijn in de nabijheid van de plaats van de bestuurder teneinde zijn zicht niet te hinderen.

Wanneer de normale verlichting uitvalt zorgt een noodverlichting voor de veilige verplaatsing van de reizigers.

 

 

Artikel 15

 

De signalisatie aan de buitenzijde van de voertuigen omvat minstens:

   voor de trams:

-       [vooraan een niet verblindende schijnwerper met wit licht die, bij normale weersomstandigheden, de sporen kan verlichten over een lengte van 20 m];

-       volgende lichten bepaald door de voorschriften inzake het verlichten en het signaleren van de voertuigen op de openbare weg:

twee witte standlichten vooraan;

twee rode achterlichten;

twee stoplichten;

twee richtingsaanwijzers vooraan;

twee achteraan;

één op elke zijwand.

   voor de metrovoertuigen:

-       vooraan de tractie-eenheid, twee niet verblindende schijnwerpers met wit licht die de sporen kunnen verlichten over een lengte van 20 m;

-       achteraan de tractie-eenheid, twee rode lichten en twee rode stoplichten die aanduiden wanneer er wordt geremd.

Voor de sub 1 en 2 genoemde voertuigen moeten deze lichten zich op minimum 40 cm boven de grond bevinden; de witte en rode lichten moeten branden tussen zonsondergang en zonsopgang of zodra de weersomstandigheden de zichtbaarheid beperken tot 200 m.

Een parkerend voertuig moet zodanig gesignaleerd worden dat het gemakkelijk kan opgemerkt worden.

Ongelijknamige lichten mogen in één en hetzelfde verlichtingstoestel gegroepeerd zijn.

Wanneer twee of meer voertuigen worden aaneengekoppeld om een trein te vormen is het toegelaten slechts de lichten aan de twee uiteinden van de trein aan te steken.

 

1°, eerste lid vervangen bij art. 3, K.B. 16.10.1986.

 

 

Artikel 16

 

Het voertuig dient te worden uitgerust met een geluidsinrichting.

De geluidssignalen zijn zo kort mogelijk en dienen hoorbaar te zijn op minstens 50 m.

 

 

Artikel 17

 

De voertuigen met hun uitrusting zijn, zowel binnenin als buiten, steeds in een volkomen reine staat.

Zij worden met een regelmaat, aangepast aan het type en de ouderdom van het materiaal, aan een grondig nazicht onderworpen.

De resultaten van dit nazicht worden opgenomen in een dokument dat ter beschikking ligt van de beambten van de dienst voor regeringstoezicht.

 

 

Artikel 18

 

[Artikel 7, zesde lid, artikel 8, vierde lid, de artikelen 9, 10, 11 en 12, artikel 13, tweede lid, en artikel 14 zijn niet van toepassing op de voertuigen die niet voor reizigersvervoer bestemd zijn.

Voor de in het eerste lid bedoelde voertuigen is, in afwijking van artikel 7, derde lid, een gemiddelde vertraging van 1,2 m/s2 voldoende.

Voor diezelfde voertuigen volstaan, in afwijking van artikel 15, een wit standlicht vooraan, een rood achterlicht en aan elke zijde een richtingsaanwijzer.]

 

Het artikel vervangen bij art. 5, K.B. 20.9.1985.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

HOOFDSTUK III - Rollend materieel autobus.

 

 

Artikel 19

 

De autobussen moeten voldoen aan de voorschriften van artikel 11, aan de alinea's 1 en 2 van artikel 12, aan artikel 13, aan de alinea's 1 en 2 van artikel 14 en aan alinea 1 van artikel 17 van dit reglement.

 

 

Artikel 20

 

   [De voertuigen gebezigd voor [geregeld vervoer] vóór- en achteraan het nummer of de kenmerkende letter van de bediende lijn in tekens met een hoogte van minstens 15 cm en de voornaamste punten van de gevolgde reisweg in letters van minstens 5 cm hoogte.

De voertuigen gebezigd voor [geregeld vervoer] dragen op de zijkant de bestemming in letters van minstens 3 cm hoogte.]

       Wanneer nodig worden deze aanduidingen verlicht.

Daarenboven moet, op de buitenkant van die voertuigen, de naam en het adres van de uitbater worden aangebracht of, in voorkomend geval, een afkorting of een herkenningsteken waardoor hij gemakkelijk kan geïdentificeerd worden.

   [...]

   [...]

   [...]

   [...]

 

Het 1° gewijzigd bij art. 2, K.B. 3.8.1977, en bij art. 1, K.B. 16.10.-1986.

Het 2°, 4° en 5° opgeheven bij art. 3, K.B. 21.2.1991 met inwerkingtreding op 1. 1.1991.

Het 3° opgeheven bij art. 36, K.B.18.9. 1991 met inwerkingtreding op 1.9.1992.

 

 

 

HOOFDSTUK IV - Rollend materieel autocar

 

 

Artikel 21

 

[...]

 

Opgeheven bij art. 3, K.B.21.2.1991 met inwerkingtreding op 1.1.1991.

 

 

 

HOOFDSTUK V - Noodwendigheden van de uitbating

 

 

Artikel 22

 

De uitbater dient met zorg en spoed het vervoer van de reizigers te verzekeren en moet hiervoor, behoudens ingeval van overmacht, het vereist aantal voertuigen in dienst stellen en in dienst houden.

Hij moet, behoudens ingeval van overmacht, de dienst verzekeren overeenkomstig de goedgekeurde uurregeling.

 

 

Artikel 23

 

Aan de aansluitingspunten moet de coördinatie tussen de diensten van verschillende uitbaters in de mate van het mogelijke door onderling akkoord verzekerd worden.

 

 

Artikel 24

 

   Zware ongevallen, inzonderheid deze met dodelijke afloop, dienen onmiddellijk ter kennis te worden gebracht van de beambten van de dienst voor regeringstoezicht.

   Ieder voornoemd zwaar ongeval en ieder ongeval dat een vertraging van meer dan twee uur op de voorziene uurregeling met zich brengt, dient bovendien aan de hand van een geschreven verslag, aan de beambten van de dienst voor regeringstoezicht ter kennis te worden gebracht.

   De uitbater dient een staat bij te houden van alle ongevallen aan de reizigers of aan derden overkomen.

[4°  De drie vorige leden zijn niet van toepassing op de autobussen die niet gebruikt worden voor een openbare autobusdienst noch op de autocars.]

 

Het 4° ingevoegd bij art. 3, K.B. 3.8.1977.

 

 

Artikel 25

 

   Op ieder voertuig, of geheel van gekoppelde voertuigen, in uitbating, dient een beambte aanwezig te zijn die van de toe te passen tarieven, de dienstregelingen van de bediende lijn en dit politiereglement op de hoogte is. Dit wordt niet vereist wanneer de inning niet in het rijtuig gebeurt.

   De volledige tekst van dit besluit moet in ieder voertuig, ter beschikking van het personeel en de reizigers voorhanden zijn.

In elk voertuig dat voor een openbare dienst wordt aangewend moeten bovendien de uurtabel, de tabel betreffende de indeling in sekties en de prijzentabel:

-       ofwel door de bestuurder voor raadpleging ter beschikking van de reizigers worden gehouden;

-       ofwel worden uitgehangen;

-       ofwel in een speciale map ter beschikking van de reizigers liggen.

Bij metro uitbating moeten deze documenten zich niet in de voertuigen bevinden maar dienen ze in elk station ter beschikking van het personeel en de reizigers te worden gehouden.

 

 

 

HOOFDSTUK VI - Verplichtingen van het dienstpersoneel

 

 

Artikel 26

 

[§ 1.      Het personeel van de uitbater dat bestendig of toevallig in kontakt met het publiek komt, moet er zich beleefd tegenover gedragen.

§ 2.       Het personeel dient behoorlijk gekleed te zijn en een uniform of althans een uniformhoofddeksel te dragen. In uniform is het aan het personeel toegelaten het hoofddeksel af te zetten.

De verplichting een uniform of een uniformhoofddeksel te dragen geldt niet voor de bestuurders van voertuigen voor leerlingenvervoer, noch voor de bestuurders van voertuigen aangewend voor [ongeregeld vervoer].

§ 3.       Het personeel moet over de bekwaamheid en kennis beschikken vereist voor zijn funktie.

§ 4.       Het personeel moet steeds talrijk genoeg zijn om de dienst vlug en veilig te verzekeren.

§ 5.       Het personeel mag niet roken in de stations van de metro of van de premetro, noch in een voertuig, zelfs wanneer dit stilstaat of parkeert.

             [De bestuurder mag echter wel roken in voertuigen gebruikt voor ongeregeld vervoer]].

 

Het artikel vervangen bij art. 6, K.B. 20.9.1985.

De § 2 en § 5 gewijzigd bij art. 4, K.B. 16.-10.-1986.

 

 

Artikel 27

 

[§ 1.                   Wanneer een spoorvoertuig de rijbaan gebruikt dient de bestuurder zich te gedragen naar het algemeen reglement op de politie van het wegverkeer wat de verkeerslichten betreft en naar de specifieke signalisatie vermeld in artikel 6 van dit politiereglement.

De bestuurder van een autobus of autocar dient zich evenwel volledig te gedragen naar het algemeen reglement op de politie van het wegverkeer.

§ 2.       De bestuurder moet zijn voertuig vertragen of stilhouden wanneer er gevaar dreigt.

De bestuurder van een spoorvoertuig moet vertragen en desnoods stoppen wanneer het ingevolge een verkeersopstopping gevaarlijk is de snelheid te behouden of verder te rijden.

§ 3.        Behoudens speciale toelating is het de bestuurder verboden te breken:

             a)      door een afdeling van een militaire kolonne bestaande uit een op mars zijnde troep of een voertuigenkonvooi waarvan de gang geregeld wordt door bevoegde personen of daartoe gemachtigde militairen;

             b)       [door een groep kinderen of scholieren:

-        ofwel in rijen, vergezeld van een leider;

-        ofwel die de rijbaan oversteekt onder de controle van een jeugdverkeersbrigade, van een leider of van een gemachtigd opzichter.]

             c)       door een lijkstoet;

             d)       door een stoet die uitgaat met de toestemming van de plaatselijke overheid;

             e)       door een groep renners die aan een wielerwedstrijd deelnemen

             [f)       door een groep deelnemers aan een wandel- of loopwedstrijd.]

§ 4.       Bij het naderen van groep deelnemers aan een wielerwedstrijd dient de bestuurder stil te houden.

[§ 5.      De bestuurder moet de aanwijzingen volgen die gegeven worden:

                ter vergemakkelijking van de beweging der legerkolonnes, door daartoe gemachtigde militairen;

                om de veiligheid te verzekeren:

                    a) van de wielerwedstrijden en van de wandel- of loopwedstrijden, door daartoe gemachtigde signaalgevers;

                    b)       van de groepen wielertoeristen, door wegkapiteins;

                    c)       van de groepen ruiters, door groepsleiders.]

§ 6.       De stilstand van de voertuigen is verboden op de gedeelten van de openbare weg speciaal voorbehouden aan de voetgangers of aan andere gebruikers.

§ 7.       De bestuurder dient de eigen signalisatie van de uitbater strikt in acht te nemen.

§ 8.       De bestuurder dient zijn voertuig stil te houden op elk bevel van een bevoegd persoon, drager van het kenteken van zijn functies, en blijven stilstaan zolang deze het noodzakelijk acht voor de verkeersveiligheid of voor het uitvoeren van politiemaatregelen of toezicht waarvoor de bevoegde overheid verantwoordelijk is.

§ 9.       De voertuigen mogen niet langer op de openbare weg stilstaan dan voor de dienst vereist is.

§ 10.     Zodra het speciaal geluidstoestel het naderen van een prioritair voertuig aankondigt, moet de bestuurder van een spoorwegvoertuig onmiddellijk de doorgang vrijmaken en voorrang verlenen, zo nodig moet hij stoppen.]

 

Het artikel vervangen bij art. 7, K.B. 20.9.1985.

De § 3, enig lid, b) vervangen en f) ingevoegd, en § 5 vervangen bij art. 4, K.B.21.2.1991 met inwerkingtreding op 1.1.1991.

 

 

Artikel 28

 

Het alcoholgehalte in het bloed van de bestuurder mag niet hoger zijn dan dit voorzien bij de desbetreffende wetgeving.

 

 

Artikel 29

 

   In openbare dienst en bovengronds:

       a)   mag de bestuurder van een voertuig, behoudens in geval van overmacht, de reizigers slechts laten in- en uitstappen aan de halten;

       b)   is de bestuurder verplicht zijn voertuig tot stilstand te brengen aan de vaste halten; hij brengt het slechts tot stilstand aan de halten op verzoek indien er reizigers te kennen geven dat zij voornemens zijn uit of in te stappen;

       c)   mag de bestuurder niet stoppen behoudens aan de vaste halten, indien het voertuig volledig bezet is en er geen reiziger vraagt om uit te stappen.

   In regelmatige metro of pre-metro dienst dient de bestuurder in elk uitgebaat station stil te houden.

   Voor alle voertuigen:

       a)   mag de bestuurder de inrichting voor het automatisch openen van de deuren niet in werking stellen vooraleer het voertuig stilstaat;

       b)   mag de bestuurder het voertuig slechts in beweging brengen nadat hij er zich heeft van vergewist dat het uit- en instappen van de reizigers geëindigd is en dat de deuren gesloten zijn; de bestuurder, indien vergezeld van een ontvanger, mag het voertuig slechts in beweging brengen nadat de ontvanger hem het vertreksein heeft gegeven voor wat het sluiten van de deuren onder zijn toezicht betreft;

       c)   moet de ontvanger de bestuurder bijstaan bij het uitoefenen van moeilijke manoeuvers.

 

 

Artikel 30

 

Vooraleer het voertuig in dienst te stellen dient de bestuurder na te zien:

-       de doelmatigheid van de remmen;

-       de goede werking van de deuren;

-       de goede staat van de signalisatie aan de buitenzijde van het voertuig.

 

 

Artikel 31

 

Tijdens de dienst mag het personeel van het voertuig de voorgeschreven reisweg niet wijzigen zonder uitdrukkelijke toelating van een terzake bevoegd persoon, behalve in geval van overmacht.

 

 

Artikel 32

 

   Binnen het voertuig dient het personeel de reizigers zodanig te doen plaats nemen dat de maximale bezetting van het voertuig wordt bekomen.

   Het personeel waakt erover dat de reizigers, en het publiek in het algemeen, de bepalingen van titel II, van dit reglement naleven.

   Het personeel moet, behoudens om dienstredenen, de verbodsbepalingen vermeld in de artikelen 34 en 35 naleven.

 

 

 

TITEL II - Verplichtingen van het publiek en de reizigers

 

 

 

HOOFDSTUK I - Verplichtingen van het publiek in het algemeen.

 

 

Artikel 33

 

Het is verboden:

   de infrastructuur, de installaties of het rollend materieel van de uitbater te beschadigen;

   vrijwillig de voertuigen van de uitbater te hinderen of te doen vertragen;

   op de sporen seinen of elk ander voorwerp te plaatsen, onder andere materialen of aval;

   de seinen aan te raken;

   hoe ook draden, kabels en andere electrische installaties aan te raken;

   over buiten de rijbaan aangelegde sporen oversteekplaatsen aan te leggen naar aangrenzende onroerende goederen, tenzij deze inrichting in geen enkel opzicht het verkeer der spoorvoertuigen hindert.

 

 

Artikel 34

 

In de metro- of pre-metrostations en in de lokalen bestemd voor het publiek, en waarvan het beheer afhangt van de uitbater, is het verboden:

   elk voorwerp te werpen dat van aard is te kwetsen, te bevuilen of te doen schrikken;

   zich zonder toelating toegang tot de dienstlokalen te verschaffen;

   zonder toelating de doorgangen te gebruiken die voor het publiek verboden en als dusdanig gesignaleerd zijn;

   onnodig de stilstand inrichting van de roltrappen in werking te stellen;

   onnodig de diensttelefoons te gebruiken;

   zich over de beschermafsluitingen van de perrons van de stations te buigen;

   [zonder toelating van de bevoegde overheid, dieren binnen te brengen, uitgezonderd dieren, die zonder hinder voor de reizigers op de schoot kunnen worden gehouden, en geleide honden voor blinden of honden die een rijkswachter of politieman vergezellen.

Nochtans worden ook honden die niet op de schoot kunnen worden gehouden, toegelaten op voorwaarde dat:

-       de hond aan de leiband gehouden wordt;

-       de hond een muilband draagt indien hij een gevaar voor de reizigers oplevert.]

   daden te stellen die niet passen, gesprekken te voeren die niet betamen;

   elk voorwerp te plaatsen waardoor de vrije doorgang kan belemmerd worden;

10° de toegangscontrole te doorlopen zonder geldig vervoerbewijs;

11° de orde te storen en de dienst te belemmeren in de standplaatsen of stations;

12° de muurbekleding of de vloer te bevuilen, voedselresten of andere afval achter te laten;

13° zich in staat van dronkenschap of klaarblijkelijke onzindelijkheid te bevinden of aangetast te zijn door een besmettelijke ziekte;

14° in het bezit te zijn van een geladen wapen, van gevaarlijke voorwerpen of van colli die, wegens hun omvang, aard of reuk, de andere reizigers kunnen kwetsen, bevuilen, hinderen of ongemak berokkenen.

 

Het enig lid, 7° vervangen bij art. 1, K.B. 15.6.1983.

 

 

 

HOOFDSTUK II - Verplichtingen van de reizigers

 

 

Artikel 35

 

Het is verboden:

   in het voertuig te stappen als het personeel te kennen geeft dat het volledig bezet is;

   [zonder toelating van de bevoegde overheid, dieren in het voertuig te brengen, uitgezonderd dieren die zonder hinder voor de andere reizigers op de schoot kunnen worden gehouden.

Honden die niet op de schoot kunnen worden gehouden kunnen evenwel worden toegelaten op voorwaarde dat:

-       er geen overbezetting is;

-       de reiziger vooraan opstapt en betaalt voor de plaats van de hond;

-       de hond aan de leiband gehouden wordt;

-       de hond een muilband draagt indien hij een gevaar voor de reizigers oplevert.

Geleide honden voor blinden en honden die een rijkswachter of een politieman vergezellen worden gratis vervoerd.]

   in het voertuig plaats te nemen of de toegangscontrole door te lopen zonder in het bezit te zijn of zich te voorzien van een geldig vervoerbewijs.

[De aangestelde voor de inning is slechts verplicht terug te geven op het bedrag voorzien in de besluiten houdende vaststelling van de vervoerprijzen voor reizigers op de vervoersnetten.]

   te weigeren zijn vervoerbewijs te tonen of te overhandigen op verzoek van de met de controle belaste bedienden of van de in artikel 41, bedoelde ambtenaren en beambten;

   verder te rijden dan de halte waarvoor het vervoerbewijs geldig is zonder onmiddellijk een nieuw vervoerbewijs te vragen;

   zich uit het voertuig te buigen, aan de ingang van de balkons te blijven staan en aldus het in- en uitstappen van de reizigers te hinderen of het zicht van de bestuurder te belemmeren, zich op te houden of plaats te nemen waar zulks door een bericht verboden is;

   in het voertuig te stappen in staat van dronkenschap, van klaarblijkelijke onzindelijkheid of aangetast te zijn door een besmettelijke ziekte;

   de orde te verstoren in het voertuig, de dienst te belemmeren en het personeel aan te spreken, tenzij om onontbeerlijke inlichtingen in verband met de reis te verkrijgen;

   daden te stellen die niet passen, gesprekken te voeren die niet betamen, te zingen, te roepen of lawaai te maken;

10° [te roken in de stations van de metro en de pre-metro, evenals in het voertuig zelfs terwijl het zich aan de halte bevindt of parkeert, tenzij in een speciale rokersafdeling of wanneer het verbod door de Minister van Verkeerswezen werd opgeheven voor diensten van bijzondere aard;]

11° in het voertuig te spuwen, het te bevuilen, er voedselresten of andere afval in achter te laten, het materieel te beschadigen;

12° de deuren van de voertuigen te openen tijdens de rit of er tegen te leunen. De noodbediening van de deuren mag slechts gebruikt worden wanneer gevaarlijke omstandigheden dit vergen, bij stilstand van het voertuig;

13°       wederrechtelijk gebruik te maken van het alarmsein;

14° de vensters en verluchtingsopeningen van het voertuig te openen of open te houden zonder toestemming van alle reizigers;

15° in het voertuig te stappen met een geladen wapen, gevaarlijke voorwerpen of met colli die, wegens hun omvang, aard of reuk, de reizigers kunnen kwetsen, bevuilen, hinderen of ongemak berokkenen;

16° in of uit het voertuig te stappen vooraleer het volledig stilstaat of tijdens het manoeuvreren;

17° op de voettreden te blijven staan, elders recht te staan dan waar zulks is toegelaten en de veiligheids- of bedieningstoestellen aan te raken;

18° uit een voertuig elk voorwerp te werpen;

19° het personeel in dwaling te brengen door het nabootsen van de gebruikelijke seinen of door het geven van loos alarm;

20° in de gangen van het voertuig enig voorwerp te plaatsen waardoor de vrije doorgang kan belemmerd worden;

21° in- of uit het voertuig te stappen langs andere deuren welke hiertoe bestemd zijn.

 

Het enig lid, 2° vervangen bij art. 2, K.B. 15.6.1983.

Het enig lid, 3° gewijzigd bij art. 1, K.B. 17.5.2002 met inwerkingtreding op 1.1.2002.

Het enig lid, 10° vervangen bij K.B. 18.2.1981 met inwerkingtreding op 18.3.1981.

 

 

Artikel 36

 

De reizigers zijn verplicht de zitplaatsen af te staan aan de invaliden die moeilijk kunnen blijven rechtstaan, aan de ouderlingen, zieken of gebrekkigen, aan de personen die kinderen dragen en aan de zwangere vrouwen. Deze personen hebben de voorrang om in het voertuig te stappen.

 

 

Artikel 37

 

De reizigers moeten de bevelen opvolgen die door het dienstpersoneel tot nakoming van voorgaande bepalingen worden gegeven.

 

 

Artikel 38

 

[§ 1.      Artikel 36 is niet van toepassing op de voertuigen gebruikt voor ongeregeld vervoer.

§ 2.       In de voertuigen bedoeld in paragraaf 1, moet voor niet-rokers een ruimte worden voorbehouden die ten minste de helft van de beschikbare plaatsen omvat.

Die ruimte moet zich vooraan in het voertuig bevinden en door middel van pictogrammen zijn aangeduid.

§ 3.       In afwijking van artikel 35, 9°, mag in voertuigen gebruikt voor ongeregeld vervoer worden gezongen, mits de uitbater of zijn aangestelde en alle reizigers daarmee instemmen.]

 

Het artikel vervangen bij art. 5, K.B. 16.10.1986.

 

 

 

TITEL III - Overgangsbepalingen en afwijkingen

Vaststelling der overtredingen en sancties

Algemene bepalingen

 

 

 

HOOFDSTUK I - Overgangsbepalingen en afwijkingen

 

 

Artikel 39

 

[§ 1.      Artikel 4, derde lid, treedt in werking op 1 januari 1986.

§ 2.       Artikel 7, derde tot zesde lid, artikel 9, tweede lid, artikel 12, tweede en derde lid, artikel 14, eerste en derde lid, en artikel 15, eerste lid, 1°, zijn niet van toepassing op de voertuigen gebouwd vóór 1954.

§ 3.       Wat de "Maatschappij voor het Intercommunaal Vervoer te Antwerpen" betreft is de bepaling van artikel 10, alinea 2, niet van toepassing op de spoorvoertuigen van het P.C.C.-type met volgnummers gaande van 2000 tot 2165.

             [...]

§ 4.       De bepalingen van artikel 20 zijn niet van toepassing op de in het buitenland ingeschreven autobussen.

§ 5.       De bepalingen van artikel 21 en van artikel 25.2°, alinea 1, zijn niet van toepassing op de in het buitenland ingeschreven autocars en aangewend voor internationale diensten.]

 

Het artikel vervangen bij art. 9, K.B. 20.9.1985

De § 3 gewijzigd bij art. 6, K.B. 16.10.1986

 

 

Artikel 40

 

[Op verantwoorde aanvraag van de uitbater kan de Minister van Verkeerswezen afwijkingen van artikelen 3, 5, 11, 16 en 25.2° van dit reglement toestaan.]

 

Het artikel vervangen bij art. 6, K.B. 3.8.1977

 

 

 

HOOFDSTUK II - Vaststelling der overtredingen en sancties

 

 

Artikel 41

 

De personen bevoegd om toezicht uit te oefenen op de naleving van dit reglement zijn:

   het personeel van de rijkswacht en het personeel van de gemeentelijke en landelijke politie met inbegrip van de hulpagenten;

   de ambtenaren van het Bestuur van het Vervoer en van het Hoog Comité van Toezicht die met een mandaat van gerechtelijke politie belast zijn.

   de personeelsleden van de uitbater te dien einde beëdigd;

   de officieren van de gerechtelijke politie.

   het personeel van de militaire politie wanneer het de beweging van de kolonnes van de Krijgsmacht regelt.

De personen bedoeld onder 1°, 2°, 3° en 4° hebben recht van toegang in de voertuigen gebezigd voor bezoldigd vervoer van personen per tram, pre-metro, metro, autobus en autocar. De ambtenaren bedoeld onder 2° hebben, buiten het recht van toegang in de voertuigen en aanhorigheden van de diensten, ook dat van kosteloos te worden vervoerd.

 

Het artikel vervangen bij art. 5, K.B.21.2.1991 met inwerkingtreding op 1.1.1991.

Het artikel 41 werd opgeheven voor het Waals Gewest bij Decreet van het Waals Gewest van 4.2.1999 met inwerkingtreding op 26.2.1999.

 

 

 

HOOFDSTUK III - Algemene bepalingen

 

 

Artikel 42

 

Worden opgeheven:

-       onze besluiten van 24 mei 1913, 1 oktober 1930, 20 juli 1932, 22 november 1932, 6 juli 1936, 26 augustus 1938, 11 februari 1946, 28 oktober 1952, 27 november 1953 en 18 oktober 1957 houdende politiereglement voor de exploitatie van door de regering vergunde of te vergunnen buurtspoorwegen;

-       [onze besluiten van 27 januari 1931, 22 maart 1932, 26 augustus 1938, 15 februari 1946 en 7 september 1946 houdende politiereglement betreffende de exploitatie van de bij toepassing van de wet van 9 juli 1875 door de regering vergunde of te vergunnen tramwegen;]

-       onze besluiten van 31 maart 1947, 14 december 1951, 10 april 1954, 21 september 1965, 15 maart 1966, 25 juni 1968 en 21 december 1970 betreffende het toezicht op en houdende politiereglement voor de exploitatie van de openbare autobusdiensten en de autocardiensten.

 

Het tweede punt gewijzigd bij art. 8, K.B. 3.8.1977.

 

 

Artikel 43

 

Dit besluit treedt in werking de dag van zijn bekendmaking in het Belgisch Staatsblad.

 

 

Artikel 44

 

Onze Minister van Verkeerswezen is belast met de uitvoering van dit besluit.