19 JANUARI 2005. - Koninklijk besluit betreffende de bescherming van de werknemers tegen tabaksrook (B.S., 3 maart 2005)
VERSLAG
AAN DE KONING
Het
ontwerp van koninklijk besluit waarvan wij de eer hebben het ter ondertekening
aan Zijne Majesteit voor te leggen, is een onderdeel van het federaal plan ter
bestrijding van het tabaksgebruik.
In
het verlengde van het recht op een rookvrij sociaal klimaat wil dit ontwerp de
omgevingsrook in de werkruimten aanpakken. Het blijkt niet zo vanzelfsprekend te
zijn om het recht op een rookvrije werkruimte in de praktijk af te dwingen.
De
bepalingen van het Algemeen Reglement voor arbeidsbescherming (ARAB) laten in
onvoldoende mate toe om een rookvrije werkruimte te garanderen.
Omwille
van de algemene maatschappelijke evolutie op het vlak van roken en rekening
houdend met de steeds strengere eisen ten opzichte van blootstelling aan
tabaksrook op de arbeidsplaats vanuit kwaliteits-, veiligheids- en
gezondheidsoverwegingen, hebben we het huidig hoffelijkheidsprincipe ten aanzien
van het roken op het werk vervangen door een duidelijkere benadering, gericht op
het niet roken.
Door
dit besluit wordt het recht op een rookvrije werkruimte en sociale voorzieningen
ingevoerd.
Om
dit recht vorm en inhoud te geven wordt een rookverbod in de werkruimte
ingevoerd.
Roken
is enkel mogelijk in lokalen die geen werkruimten zijn en die daartoe op
uitdrukkelijke wijze aangewezen zijn. De mogelijkheid van een rookkamer creëert
geen recht op dergelijke plaatsen.
Roken
in de rookkamer kan enkel toegestaan worden in overleg met het personeel.
Het
rookverbod geldt niet voor werkzaamheden in open lucht.
Het
rookverbod voorzien in dit ontwerp van koninklijk besluit geldt niet in
horecazaken waar het roken voor het publiek is toegelaten. Het rookverbod geldt
wel op alle andere plaatsen in horecazaken zoals de keukens, opslagplaatsen,
wasserij en dergelijke.
Commentaar
bij de artikelen :
Artikel
1. Dit artikel bepaalt het toepassingsgebied.
Art.
2. Punt 1 van dit artikel voorziet enkel in een uitzondering op een rookvrije
werkruimte in de voor publiek bestemde gesloten plaatsen van horeca-inrichtingen
waar het toegelaten is om te roken.
Punt
2 is een uitzondering op het rookverbod voor als private vetrekken te beschouwen
gesloten plaatsen van instellingen van maatschappelijke dienstverlening zoals
rusthuizen, rust- en verzorgingstehuizen, serviceflats, psychiatrische
instellingen, instellingen voor personen met een handicap en voor bijzondere
jeugdzorg en gevangenissen waar bewoners en niet-bewoners mogen roken onder
bepaalde voorwaarden die zijn vastgelegd door deze instellingen en die specifiek
voor hen bestemd zijn.
Het
punt 3 voorziet een uitzondering voor de privé-woningen. Deze uitzondering
geldt echter niet in de ruimten van deze woningen die exclusief bestemd zijn
voor professioneel gebruik en waar een werkgever werknemers tewerkstelt,
bijvoorbeeld een naaiatelier of een timmermanswerkplaats in een privé-woning.
Art.
3. Deze bepaling omschrijft de begrippen werkruimte, sociale voorzieningen en
rookkamer.
De gesloten ruimte binnenin de onderneming omvat naast de werkplaatsen de
inkomhal, gangen, trappen, liften, verbindingsruimten, gesloten parkeergarages.
Een
open ruimte binnenin de onderneming is bijvoorbeeld de garage.
De
werkruimte omvat ook de werkplaatsen buiten de onderneming, bijvoorbeeld
werfketen, cabines van vrachtwagens, bestelwagens, dienstwagens.
De
werkruimte in open lucht valt niet onder het rookverbod, bijvoorbeeld de
binnenkoer.
Art.
4. Deze bepaling geeft de werknemer het recht om te beschikken over een
werkruimte en sociale voorzieningen die vrij zijn van tabaksrook. De werknemer
heeft het recht op tabaksrookvrije lucht waar hij tewerkgesteld is.
Art.
5. Hier wordt aangegeven op welke wijze de werkgever dit recht moet waarborgen.
Dit
artikel omvat het rookverbod in de werkruimte en voorziet de mogelijkheid toe te
laten dat er enkel mag gerookt worden in een rookkamer.
Een
dergelijke toelating kan enkel gegeven worden na overleg met het personeel.
In
dit verband wordt erop gewezen dat de mogelijkheid van een rookkamer geen recht
op een rookkamer creëert.
Bovendien
is het zo dat in ondernemingen waar er geen overleg wordt georganiseerd, het
rookverbod onverkort geldt.
Het
artikel voorziet ook dat het gemeenschappelijk vervoer van en naar het werk
rookvrij is.
Art.
6. In punt 1 wordt bepaald dat de werkgever er moet voor zorgen dat alle
personen, die in welke hoedanigheid ook, het bedrijf betreden, het recht van de
werknemers op een rookvrije werkomgeving moeten respecteren.
Art.
7. De artikelen 4, 5 en 6 worden pas van kracht op 1 januari 2006, maar de
werkgever heeft vóór 1 januari 2006 verplichtingen ter beperking van
tabaksgebruik.
Hij
wordt verplicht om een algemeen beleid te voeren met het doel tabaksgebruik te
beperken in het kader van het dynamisch risicobeheersingsysteem. Daardoor is er
overleg met het personeel los van het overleg over de plaatsen waar nog mag
gerookt worden na 1 januari 2006. De werkgever is in navolging van dit besluit
niet verplicht de kosten te dragen die stoppen met roken voor een werknemer
meebrengt.
De
werkgever is in navolging van dit besluit niet verplicht sensibiliserings- en
informatieacties te organiseren, noch programma's voor rechtstreekse bijstand
bij het stoppen van roken te ontwikkelen, noch informatie te verstrekken aan de
werknemers over de gespecialiseerde instellingen op dit vlak.
Art.
8. Artikel 148decies 2. 2bis van het ARAB, dat roken betreft, wordt opgeheven
omdat door dit besluit een nieuwe benadering ingevoerd wordt. Art. 9. Dit
artikel geeft het besluit een plaats in de structuur van de Codex.
Art.
10. Dit besluit beoogt het vaststellen van twee afzonderlijke data van
inwerkingtreding.
Volgens
dit artikel wordt het besluit van kracht op de eerste dag van de maand na die
waarin het koninklijk besluit in het Belgisch Staatsblad is bekend gemaakt.
Deze
korte termijn geldt niet voor de artikelen 4, 5 en 6. Dit houdt in dat het
rookverbod, de mogelijkheid van een rookkamer en de informatie hierover naar
derden in werking treden op 1 januari 2006.
Op
deze wijze hebben de werkgevers de tijd om maatregelen te nemen en hebben de
werknemers de tijd om zich voor te bereiden op het rookverbod.
De
Minister van Werk,
Mevr.
F. VAN DEN BOSSCHE
19
JANUARI 2005. - Koninklijk besluit betreffende de bescherming van de werknemers
tegen tabaksrook (1)
ALBERT
II, Koning der Belgen,
Aan
allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
Gelet
op de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de
uitvoering van hun werk, inzonderheid op artikel 4, § 1, gewijzigd bij de
wetten van 7 april 1999 en 11 juni 2002;
Gelet
op het Algemeen reglement voor de arbeidsbescherming, goedgekeurd bij de
besluiten van de Regent van 11 februari 1946 en 27 september 1947, inzonderheid
op artikel 148decies 2. 2bis, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 31 maart
1993;
Gelet
op het advies van de Hoge Raad voor Preventie en Bescherming op het Werk,
gegeven op 27 februari 2004;
Gelet
op advies 37.764/1 van de Raad van State, gegeven op 18 november 2004, met
toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1° van de gecoördineerde wetten
op de Raad van State;
Op
de voordracht van Onze Minister van Werk,
Hebben
Wij besloten en besluiten Wij :
Artikel
1. Dit besluit is van toepassing op de werkgevers en de werknemers en op de
daarmee gelijkgestelde personen, bedoeld in artikel 2, § 1, 1°, a) tot d) en 2°,
van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de
uitvoering van hun werk.
Art.
2. Dit besluit is niet van toepassing op :
1°
alle gesloten plaatsen waar voedingsmiddelen en/of dranken ter consumptie
aangeboden worden en waar het toegelaten is te roken, met toepassing van de
artikelen 2, § 2, en 3, § 1, van het koninklijk besluit van 15 mei 1990 tot
het verbieden van het roken in bepaalde openbare plaatsen;
2°
de als private vertrekken te beschouwen gesloten plaatsen van alle instellingen
van maatschappelijke dienstverlening en van de gevangenissen, waar de bewoners
en niet-bewoners mogen roken onder de voorwaarden die er voor hen zijn
vastgelegd;
3°
privé-woningen, behalve de ruimten die exclusief bestemd zijn voor
professioneel gebruik en waar werknemers worden tewerkgesteld.
Art.
3. Voor de toepassing van dit besluit, wordt verstaan onder :
1°
de wet : de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers
bij de uitvoering van hun werk;
2°
werkruimte :
a)
elke arbeidsplaats, ongeacht of deze zich binnen of buiten een onderneming of
inrichting bevindt en ongeacht of deze zich in een gesloten of in een open
ruimte bevindt, met uitzondering van de ruimte in open lucht;
b)
en elke open of gesloten ruimte binnenin de onderneming of inrichting waar de
werknemer toegang tot heeft;
3°
sociale voorzieningen : de sanitaire voorzieningen, de refter en de lokalen
bestemd voor rust of eerste hulp;
4°
rookkamer : lokaal waar gerookt mag worden en dat uitsluitend daartoe bestemd
is;
5°
het Comité : het Comité voor preventie en bescherming op het werk of, bij
ontstentenis hiervan, de syndicale afvaardiging of, bij ontstentenis hiervan, de
werknemers zelf overeenkomstig de bepalingen van artikel 53 van de wet
Art.
4. Elke werknemer heeft het recht te beschikken over werkruimten en sociale
voorzieningen, vrij van tabaksrook.
Art.
5. § 1. De werkgever verbiedt het roken in de werkruimten en de sociale
voorzieningen, evenals in het vervoermiddel dat voor gemeenschappelijk vervoer
van en naar het werk door hem ter beschikking wordt gesteld van het personeel.
§
2. In afwijking van het verbod bedoeld in § 1, bestaat de mogelijkheid te
voorzien in een rookkamer binnen de onderneming, na voorafgaand advies van het
Comité.
Deze
rookkamer wordt afdoende verlucht.
De
regeling van de toegang tot deze kamer tijdens de werkuren wordt vastgelegd, na
voorafgaand advies van het Comité.
Deze
regeling mag geen ongelijke behandeling van de werknemers veroorzaken.
Art.
6. De werkgever neemt de nodige maatregelen teneinde erover te waken dat derden
die zich in de onderneming bevinden, geïnformeerd worden omtrent de maatregelen
die hij toepast overeenkomstig dit besluit.
Art.
7. § 1. Tot de datum van inwerkingtreding van de artikelen 4, 5 en 6 van dit
besluit, voert de werkgever, in het kader van het dynamisch
risicobeheersingsysteem, een algemeen beleid in om het gebruik van tabak in de
werkruimten en de sociale voorzieningen in te perken.
§
2. Het algemeen beleid bedoeld in § 1 :
1°
legt de maatregelen alsook de toepassingsregels vast nodig om het tabaksgebruik
in de werkruimten en de sociale voorzieningen in te perken en neemt, zo nodig,
de bijkomende materiële maatregelen om hinder te wijten aan omgevingstabaksrook
uit te schakelen;
2°
wordt ter kennis gebracht van alle werknemers.
Art.
8. Art. 148decies 2. 2bis van het Algemeen reglement voor de arbeidsbescherming,
goedgekeurd bij de besluiten van de Regent van 11 februari 1946 en 27 september
1947, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 31 maart 1993, wordt opgeheven.
Art.
9. De bepalingen van de artikelen 1 tot 7 vormen afdeling II van hoofdstuk I van
titel III van de Codex over het welzijn op het werk met de volgende opschriften
:
«
Titel III. - Arbeidsplaatsen. »;
«
Hoofdstuk I. - Basiseisen. »;
«
Afdeling II. - Bescherming van de werknemers tegen tabaksrook ».
Art.
10. Dit besluit treedt in werking de eerste dag van de maand volgend op die
gedurende welke het in het Belgisch Staatsblad is bekendgemaakt, met
uitzondering van de artikelen 4, 5 en 6 die in werking treden op 1 januari 2006.
Art.
11. Onze Minister van Werk is belast met de uitvoering van dit besluit.
Gegeven
te Brussel, 19 januari 2005.
ALBERT
Van
Koningswege :
De
Minister van Werk,
Mevr.
F. VAN DEN BOSSCHE
_______Nota's
(1) Verwijzingen naar het Belgisch Staatsblad :
Wet
van 4 augustus 1996, Belgisch Staatsblad van 18 september 1996.
Wet
van 7 april 1999, Belgisch Staatsblad van 20 april 1999.
Wet
van 11 juni 2002, Belgisch Staatsblad van 22 juni 2002.
Besluit
van de Regent van 11 februari 1946, Belgisch Staatsblad van 3 en 4 april 1946.
Besluit
van de Regent van 27 september 1947, Belgisch Staatsblad van 3 en 4 oktober
1947.
Koninklijk
besluit van 31 maart 1993, Belgisch Staatsblad van 26 mei 1993.