Actuele Voorinformatie Arbeidsovereenkomsten

 

2005, afl. 324, 3-27.

 

 

 

 

 

 

ROKEN OP HET WERK

 

 

 

Het K.B. van 19 januari 2005

betreffende de bescherming van de werknemers tegen tabaksrook

 

Roger Blanpain

 

Professor aan de Universiteiten van Leuven, Limburg en Tilburg,

Gewezen voorzitter van de Internationale Vereniging voor Arbeidsverhoudingen,

Erevoorzitter van de Internationale Vereniging voor Arbeids- en Sociaalzekerheidsrecht

Lid van de Koninklijke Vlaamse Academie

 

 

 

 

 

 

3 maart 2005


 

SAMENVATTEND

 

INHOUD

 

Ten geleide

 

I.  Toepassingsgebied

A.  Persoonlijk

1.  Werkgevers en werknemers

2.  Derden

B.  Ruimtelijk

1.  Rookverbod

a.  Werkruimte

b.  Sociale voorzieningen

c.  Gemeenschappelijk vervoer

d. Horeca

e. Werkruimtes in privé woningen

2.  Uitzonderingen op een rookvrije werkruimte

a.  Horeca

b.  Instellingen van maatschappelijke dienstverlening en gevangenissen

c.  Privé-woningen

II.  Het rookverbod : vanaf 1 januari 2006

III.  Inperking van het gebruik van tabak: vanaf 1 april tot en met 31 december 2005

IV.  Andere verplichtingen van de werkgever

V.  Uitzonderingen op het beginsel van het rookverbod

A.  Ruimte in open lucht

B.  De rookkamer: een mogelijkheid, geen plicht

1.  Mogelijkheid

2.  Overleg

3.  Verluchting

4.  Gelijke behandeling

VI.  Geschillen, toezicht en sancties

A.  Geschillen

B.  Toezicht

C.  Sancties

VII.  Inwerkingtreding

 

BESLUITEN

 

BIJLAGE



SAMENVATTING

 

 

ROOKVERBOD vanaf 1 januari 2006

 

Voor werkgever – werknemers en derden

 

Arbeidsplaats

 

Gesloten werkruimte (zo: werkplaats, inkomhal, gangen, trappen, liften, verbindingsruimten, gesloten parkeergarages)

 

            Open ruimte (vb. garage)

 

Buiten de onderneming (vb. werfketen, cabines van vrachtwagens, bestelwagens, dienstwagens)

 

            Sociale voorzieningen (sanitair, refter, lokalen voor rust of eerste hulp)

 

            Gemeenschappelijk vervoer

 

            Horeca (vb. keuken, opslagplaatsen, wasserij en dergelijke)

 

Privé-woning (ruimtes exclusief voor werk:vb.: naaiatelier, timmermanswerkplaats)

 

Maatschappelijke dienstverlening (rusthuizen, rust en rust- en verzorgingstehuizen, serviceflats, psychiatrische instellingen, instellingen voor personen met een handicap en voor bijzondere jeugdzorg, met uitzondering van de private vertrekken.) Dus o.i. rookverbod in o.m.: refters, keukens, opslagplaatsen, gangen, trappen, halls, bezoekruimtes, bibliotheken, toiletten, werkplaatsen, gezamenlijke salons, sportruimtes e.a.

 

Gevangenissen (met uitzondering van private vertrekken)

 

GEEN ROOKVERBOD

 

            Werkruimte in open lucht (vb. landbouw – binnenkoer – bouw werf)

 

            Horeca (voor publiek bestemde gesloten plaatsen)

 

            Maatschappelijke dienstverlening (private vertrekken)

 

            Gevangenissen (private vertrekken)

 

            Privé woning (uitgezonderd werkruimtes)

 

            Rookkamer (mag, mits overleg, geen werkruimte; uitsluitend voor roken bestemd).



Ten geleide

 

Op 2 maart 2005, dit is drie dagen na de inwerkingtreding van het Verdrag betreffende de strijd tegen de tabak, dat in de Wereldgezondheidsorganisatie (2003) werd aangenomen, verscheen in het Belgisch Staatsblad het langverwachte K.B. betreffende de bescherming van de werknemers tegen tabaksrook[1], uitgaande van de Federale Minister van het Werk..

 

Langverwacht, aangezien de Ministerraad reeds groen licht aan een ontwerp KB had gegeven in januari 2004 en de Hoge Raad voor Preventie en Bescherming op het Werk op 27 februari 2004 terzake een advies had uitgebracht.  Eveneens, omdat het al geruime tijd vaststaat dat roken en ook passief roken dodelijk is voor de gezondheid van werknemers, in die mate dat er jaarlijks meer dan 2000 mensen in ons land ten gevolge van passief roken overlijden.

 

Langverwacht eveneens omdat in meerdere andere landen reeds maatregelen genomen werden waarbij een rookverbod in de ondernemingen werd ingevoerd, zoals in Nederland, Ierland, Noorwegen, Italië enz.. 

 

Het Belgisch K.B. is er nu en betekent een belangrijke stap voorwaarts in de bestrijding van tabaksrook. 

 

Dit K.B. bevestigt expressis verbis de plicht van de werkgever om een rookverbod in de onderneming in te voeren.  Deze plicht vloeide reeds voor uit de algemene regel die de werkgever verplicht om een veilige en gezonde werkplek voor de werknemers te voorzien[2], met name het invoeren van een rookverbod.

 

Artikel 4 van het K.B. van 19 februari 2005 stelt dan ook uitdrukkelijk dat “elke werknemer het recht heeft te beschikken over werkruimten en sociale voorzieningen, vrij van tabaksrook”; terwijl artikel 5 van het K.B. aan de werkgever de plicht oplegt “het roken (te verbieden) in de werkruimten en sociale voorzieningen, evenals in het gemeenschappelijk vervoer”.  

 

Gejuich alom, maar niet helemaal.

 

Vanzelfsprekend blijft er het levensgroot probleem van het roken in de horeca, waar de halfslachtige rookregeling van 1990, die in de praktijk trouwens weinig of niet wordt nageleefd, aangehouden wordt en waar men met spanning op een nieuw initiatief van de Minister van Volksgezondheid wacht.

 

In deze korte bijdrage wijden we achtereenvolgens aandacht aan het toepassingsgebied van het K.B., aan het recht van de werknemer op een rookvrije werkplek en de plicht van de werkgever een rookverbod in te voeren.  Vervolgens wordt stilgestaan bij de mogelijkheid voor de werkgever om een afzonderlijke rookkamer te voorzien en tenslotte bij het toezicht op en de sanctionering van het besluit alsmede aan de inwerkingtreding ervan.

 

I.  Toepassingsgebied

 

A.  Persoonlijk

 

Het K.B. voorziet in een ruim toepassingsgebied. 

 

1.  Werkgevers en werknemers

 

Dit besluit is vooreerst van toepassing op de werkgevers en de werknemers en op de daarmee gelijkgestelde personen, bedoeld in artikel 2, § 1, 1°, a) tot d) en 2°, van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk (Art.1).

 

Concreet betekent dit dat het K.B. van toepassing is op werkgevers en werknemers[3].

 

Worden gelijkgesteld met :

 

1° werknemers :

 

a) de personen die, anders dan krachtens een arbeidsovereenkomst, arbeid verrichten onder het gezag van een ander persoon;

b) de personen, die een beroepsopleiding volgen waarvan het studieprogramma voorziet in een vorm van arbeid die al dan niet in de opleidingsinstelling wordt verricht;

c) de personen, verbonden door een leerovereenkomst;

d) de stagiairs;

 

2° werkgevers : de personen die de onder 1° genoemde personen tewerkstellen.

 

M.a.w. het K.B. geldt voor alle werknemers en voor alle werkgevers.  Ook de werkgever mag niet roken in de onderneming.  Evenmin als managers, die een afzonderlijk en gesloten bureel zouden hebben. 

 

2.  Derden

 

Het K.B. geldt, overeenkomstig artikel 6, eveneens voor “derden, die zich in de onderneming bevinden”.  Men denkt hier hoofdzakelijk aan bezoekers allerhande, klanten, zelfstandige medewerkers, politie, parket, sociale inspecteurs, belastingcontroleurs, onderaannemers en hun medewerkers, ter beschikking gestelde werknemers, ambulanciers, geneesheren, die ter plaatse afstappen, of een taxichauffeur, die een werknemer komt ophalen..  Kortom elkeen, die de onderneming betreedt, ten welken titel ook, dient het rookverbod te eerbiedigen. 

 

Overeenkomstig artikel 6 “neemt (de werkgever) de nodige maatregelen ten einde erover te waken dat derden, die zich in de onderneming bevinden, geïnformeerd worden omtrent de maatregelen, die hij overeenkomstig dit besluit toepast”.  Men denkt hierbij aan het aanbrengen van rookverbodtekens, eventueel aan een specifieke brochure, die aan de “derden” bij het betreden van de onderneming overhandigd wordt.

 

B.  Ruimtelijk

 

1.  Rookverbod

 

Elke werknemer heeft het recht te beschikken over werkruimten en sociale voorzieningen, vrij van tabaksrook (art. 4). 

 

Dit rookverbod is een bepaling van openbare orde, die stoelt op het fundamentele recht op gezondheid en strafrechtelijk wordt gesanctioneerd, zoals verder wordt aangetoond.  Van dit verbod kan onder geen enkel beding worden afgeweken, ook niet met instemming van de werkgevers en eventuele alle werknemers. 

 

Het K.B. heeft een ruim ruimtelijk toepassingsgebied.

 

a.  Werkruimte

 

Werkruimte is

 

- elke arbeidsplaats, ongeacht of deze zich binnen of buiten een onderneming of inrichting bevindt en ongeacht of deze zich in een gesloten of in een open ruimte bevindt, met uitzondering van de ruimte in open lucht;

 

- en elke open of gesloten ruimte binnenin de onderneming of inrichting waar de werknemer toegang tot heeft (art. 3, 2°).

 

De gesloten ruimte binnenin de onderneming omvat, volgens het verslag aan de Koning bij het K.B., “naast de werkplaatsen, de inkomhal, gangen, trappen, liften, verbindingsruimten, gesloten parkeergarages.  Een open ruimte binnenin de onderneming is bijvoorbeeld de garage.  De werkruimte omvat ook de werkplaatsen buiten de onderneming, bijvoorbeeld werfketen, cabines van vrachtwagens, bestelwagens, dienstwagens.  De werkruimte in open lucht valt niet onder het rookverbod, bijvoorbeeld de binnenkoer”.

 

b.  Sociale voorzieningen

 

Sociale voorzieningen zijn de sanitaire voorzieningen, de refter en de lokalen bestemd voor rust of eerste hulp (art. 3, 3°).

 

c.  Gemeenschappelijk vervoer

 

Het rookverbod geldt eveneens “in het vervoermiddel dat voor gemeenschappelijk vervoer van en naar het werk door (de werkgever) ter beschikking (wordt) gesteld van het personeel” (art. 5 § 1).

 

d. Horeca

 

Het rookverbod, voorzien in dit K.B., geldt niet voor horecazaken waar het roken voor het publiek is toegelaten, overeenkomstig het K.B. van 15 mei 1990 tot het verbieden van het roken in bepaalde openbare plaatsen. Het rookverbod geldt echter wel op alle andere plaatsen in horecazaken, zoals de keukens, opslagplaatsen, wasserij en dergelijke[4].

 

e.  Werkruimtes in privé woningen

 

Ruimten van deze woningen, die exclusief bestemd zijn voor professioneel gebruik en waar een werkgever werknemers tewerkstelt, bijvoorbeeld een naaiatelier of een timmermanswerkplaats in een privé-woning, vallen eveneens onder het rookverbod (art. 2, 3°).

 

2.  Uitzonderingen op een rookvrije werkruimte

 

a.  Horeca

 

Artikel 2, punt 1 van het K.B. voorziet in een uitzondering op een rookvrije werkruimte in de voor publiek bestemde gesloten plaatsen van horeca-inrichtingen waar het toegelaten is om te roken[5].  Deze bepaling is restrictief te interpreteren.  Let wel op: het K.B. doet niets af aan de algemene verantwoordelijkheid voor de werkgever om aan zijn werknemers een gezonde werkplaats te garanderen.  De verantwoordelijkheid voor de gezondheids- en andere schade, die aan de werknemer berokkend wordt door tabaksrook blijft onverminderd bestaan.

 

b.  Instellingen van maatschappelijke dienstverlening en gevangenissen

 

Het besluit is evenmin van toepassing op “de als private vertrekken te beschouwen gesloten plaatsen van alle instellingen van maatschappelijke dienstverlening en van de gevangenissen, waar de bewoners en niet-bewoners mogen roken onder de voorwaarden die er voor hen zijn vastgelegd” (art. 2, 2°). 

 

Het gaat hier, volgens het verslag aan de Koning, om “rusthuizen, rust- en verzorgingstehuizen, serviceflats, psychiatrische instellingen, instellingen voor personen met een handicap en voor bijzondere jeugdzorg en gevangenissen waar bewoners en niet-bewoners mogen roken onder bepaalde voorwaarden die zijn vastgelegd door deze instellingen en die specifiek voor hen bestemd zijn”.

 

Dit betekent dat de publieke ruimtes in deze instellingen rookvrij dienen te zijn, d.z. o.i. onder meer: refters, keukens, opslagplaatsen, gangen, trappen, halls, bezoekruimtes, bibliotheken, toiletten, werkplaatsen, gezamenlijke salons, sportruimtes e.a.  Dit geldt zowel voor werknemers, bezoekers als voor de “gasten”.

 

Gezamenlijke gevangeniscellen, waar meerdere gevangenen in één cel vertoeven, kan men moeilijk als een privé vertrek beschouwen.

 

De verantwoordelijken van deze instellingen mogen, zo stelt artikel 2, 2°  van het K.B. de voorwaarden voor het roken bepalen.  Ook deze bevoegdheid is restrictief te interpreteren.  Deze verantwoordelijken staan immers in voor de gezondheid van alle betrokkenen en dienen er maximaal over te waken dat hun “gasten” geen schade ondervinden van het rookgedrag van anderen. 

 

Deze uitzondering, die heel wat mensen betreft, zal bijzonder dienen opgevolgd ten einde te voorkomen dat het rookverbod er buiten de “privé vertrekken” geen dode letter blijft. 

 

c.  Privé-woningen

 

Zijn eveneens vrijgesteld van het rookverbod de privé-woningen, behalve de ruimten die exclusief bestemd zijn voor professioneel gebruik en waar werknemers worden tewerkgesteld (art. 2, 3°).

 

II.  Het rookverbod : vanaf 1 januari 2006

 

Artikelen 4 en 5 van het K.B. van 19 februari 2005 voorzien het recht op een rookvrije ruimte en stellen een rookverbod in. 

 

“Elke werknemer”, zo luidt artikel 4, “heeft het recht te beschikken over werkruimten en sociale voorzieningen, vrij van tabaksrook”.

 

Volgens art. 5 van het K.B. moet de werkgever het roken verbieden in de werkruimten en de sociale voorzieningen, evenals in het vervoermiddel dat voor gemeenschappelijk vervoer van en naar het werk door hem ter beschikking wordt gesteld van het personeel” (§ 1).

 

Deze bepalingen treden in werking op 1 januari 2006. 

 

III.  Inperking van het gebruik van tabak: vanaf 1 april tot en met 31 december 2005

 

Vanaf 1 april tot en met 31 december 2005 voert de werkgever, in het kader van het dynamisch risicobeheersingsysteem[6], een algemeen beleid in om het gebruik van tabak in de werkruimten en de sociale voorzieningen in te perken (Art. 7 § 1).

 

Dit algemeen beleid legt de maatregelen alsook de toepassingsregels vast, nodig om het tabaksgebruik in de werkruimten en de sociale voorzieningen in te perken en neemt, zo nodig, de bijkomende materiële maatregelen om hinder te wijten aan omgevingstabaksrook uit te schakelen.  Een en ander wordt ter kennis gebracht van alle werknemers (Art. 7 § 2).

 

Het K.B. legt aan de werkgever de plicht op om het gebruik van tabak in te perken.  Dit betekent te verminderen.  Zo door b.v. een gedeeltelijk rookverbod reeds in te voeren.  Dit dient, overeenkomstig het verslag aan, de Koning, te gebeuren in overleg met het personeel. 

 

Artikel 7 zegt eveneens dat de ondernemingen vanaf 1 april 2005, zo nodig, de plicht hebben om  bijkomende materiele maatregelen te nemen om de hinder te wijten aan omgevingstabak uit te schakelen”.  Dit betekent, o.i. eventueel het instellen afzuiginstallaties in (werk) plaatsen waar nog zou mogen gerookt worden.

 

IV.  Andere verplichtingen van de werkgever

 

Deze plichten hebben hoofdzakelijk betrekking op voorlichting:

 

1.                 van de werknemers in verband met het inperkingsbeleid tot en met 31 december 2005;

2.                 de verwittiging van derden omtrent de maatregelen, die de werkgever neemt, zowel de inperkingen als het definitief rookverbod en de mogelijke rookruimte.

 

Daarnaast is er de plicht van overleg met de werknemersvertegenwoordigers.

 

Andere verplichtingen heeft de werkgever niet.  In het verslag aan de Koning wordt uitdrukkelijk gesteld dat: “de werkgever niet verplicht is de kosten te dragen die stoppen met roken voor een werknemer meebrengt. De werkgever is evenmin gehouden sensibiliserings- en informatieacties te organiseren, noch programma's voor rechtstreekse bijstand bij het stoppen van roken te ontwikkelen, noch informatie te verstrekken aan de werknemers over de gespecialiseerde instellingen op dit vlak”.

 

Dit neemt niet weg dat er in heel wat ondernemingen campagnes worden opgezet en hulp aan stoppende rokers wordt geboden[7].

 

V.  Uitzonderingen op het beginsel van het rookverbod

 

A.  Ruimte in open lucht

 

Het rookverbod geldt niet voor werkzaamheden in open lucht.  In dit verband kan men denken aan de landbouw – werk op het veld – of aan de (open) bouw.  Het verslag aan de Koning vermeldt eveneens de binnenkoer van de onderneming als een open ruimte.

 

B.  De rookkamer: een mogelijkheid, geen plicht

 

Roken mag eveneens in de rookkamer binnen de onderneming, d.i. een lokaal waar gerookt mag worden en dat uitsluitend daartoe bestemd (art. 3, 4°).  Artikel 5 § 2 van het K.B. voorziet inderdaad de mogelijkheid te voorzien in een rookkamer binnen de onderneming. 

 

1.  Mogelijkheid

 

Inderdaad, het verslag aan de Koning stelt uitdrukkelijk dat :”roken enkel mogelijk is in lokalen die geen werkruimten zijn en die daartoe op uitdrukkelijke wijze aangewezen zijn. De mogelijkheid van een rookkamer creëert geen recht op dergelijke plaatsen”. 

 

De werkgever is dus niet verplicht een of meerdere dergelijke rookkamers in te richten.  Of nog, de Overheid wenst de ondernemingen terzake  geen bijkomende kosten op te leggen.  Een rookkamer is duidelijk een tweede keuze.

 

2.  Overleg

 

Roken in de rookkamer kan enkel toegestaan worden in overleg met het personeel.  Dit is met het Comité voor preventie en bescherming op het werk[8].  Het beginsel van de rookkamer en de regeling van de toegang tot deze kamer tijdens de werkuren wordt door de werkgever bepaald, na voorafgaand advies van het Comité. 

 

3.  Verluchting

 

Deze rookkamer dient afdoende verlucht te worden.  Kritiek: dit neemt niet weg dat niet-rokers eventueel dergelijke lokalen zullen dienen te kuisen/onderhouden en de schadelijke gevolgen van het passief roken zullen blijven ondergaan, aangezien dergelijke verluchtingssystemen niet afdoende werken. 

 

Filtersystemen om tabaksrook uit de lucht te halen, hebben enkel hun plaats in de rookruimte.  Idem voor de installatie van een cabine met een rookfiltersysteem.  Dit kan enkel in een aparte rookruimte, duidelijk gescheiden en onderscheiden van de werkruimte.

 

4.  Gelijke behandeling

 

De regeling in verband met een aparte rookkamer mag geen ongelijke behandeling van de werknemers veroorzaken, zo stelt laatste zin van artikel 5van, het K.B.  Deze vereiste beantwoordt ongetwijfeld aan een van de voorstellen van de Internationale Arbeidsorganisatie (2002) in verband met roken op de onderneming, waarbij gesteld wordt dat rokers niet mogen gestigmatiseerd worden.  En dit is inderdaad aangewezen: rokers mogen niet gediscrimineerd worden.  Inderdaad, de vijand is de tabaksrook; de roker is een collega en een vriend.

 

Toch zal deze bepaling tot heel wat interpretatiemoeilijkheden leidden.  Het is voor de handliggend dat een werkgever aan rokers zou kunnen opleggen de rooktijd te recupereren. In nog andere gevallen zouden niet-rokers kunnen vragen om een gelijke “time off” te hebben, overeenkomstig de tijd, die aan rokers wordt toegestaan om naar het rooklokaal te gaan en er te roken.

 

VI.  Geschillen, toezicht en sancties

 

Het K.B. van 19 februari 2005 is genomen in uitvoering van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk, inzonderheid artikel 4, § 1, dat luidt als volgt:

 

“De Koning kan aan de werkgevers en de werknemers alle maatregelen opleggen die nodig zijn voor het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk.

 

Het welzijn wordt nagestreefd door maatregelen, die betrekking hebben op :

 

1° de arbeidsveiligheid;

2° de bescherming van de gezondheid van de werknemer op het werk;

3° de psychosociale belasting veroorzaakt door het werk;

4° de ergonomie;  

5° de arbeidshygiëne;

6° de verfraaiing van de arbeidsplaatsen;

7° de maatregelen van de onderneming inzake leefmilieu, wat betreft hun invloed op de punten 1 tot 6;

8° de bescherming van de werknemers tegen geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag op het werk.

 

De Koning kan bijzondere maatregelen vaststellen om rekening te houden met de specifieke toestand van inzonderheid de thuiswerkers, de kleine en middelgrote ondernemingen, de krijgsmacht, de politiediensten en de diensten voor burgerbescherming, met het oog op het bereiken van een gelijkwaardig beschermingsniveau”.

 

A.  Geschillen

 

De werkgevers, de werknemers en de representatieve werknemersorganisaties kunnen bij de arbeidsgerechten een vordering instellen tot beslechting van alle geschillen in verband met het K.B. van 19 februari 2005 betreffende de bescherming van de werknemers tegen de tabaksrook.

 

Deze vorderingen zijn onderworpen aan volgende procedureregels :

 

1° de vorderingen worden ingeleid bij verzoekschrift, verzonden bij aangetekende brief aan of neergelegd bij de griffie van het bevoegd gerecht;

2° de termijnen om de vorderingen in te stellen zijn onderworpen aan de bepalingen van de artikelen 52 en 53 van het Gerechtelijk Wetboek; de dag van verzending van een ter post aangetekende brief of van de neerlegging van het verzoekschrift ter griffie moet uiterlijk met de laatste dag van deze termijnen samenvallen;

3° de eisende partij is ertoe gehouden, in limine litis, bij de griffie van het arbeidsgerecht waarbij de zaak aanhangig is, de identiteit en het volledig adres van de betrokken partijen neer te leggen; onder volledig adres wordt verstaan, de woonplaats of de voornaamste verblijfplaats of de gewone plaats van tewerkstelling;

4° het arbeidsgerecht waarbij de zaak aanhangig is doet uitspraak zonder voorafgaande verzoening, na de betrokken partijen te hebben gehoord of behoorlijk te hebben opgeroepen;

5° de vonnissen en arresten worden bij gerechtsbrief ter kennis gebracht aan de werkgever, aan de betrokken werknemers, aan de betrokken representatieve werknemersorganisaties alsmede aan de personen uitdrukkelijk bepaald door deze wet;

6° de representatieve werknemersorganisaties mogen zich voor de arbeidsgerechten laten vertegenwoordigen door een afgevaardigde, houder van een geschreven volmacht; deze mag namens de organisatie waartoe hij behoort alle handelingen verrichten die bij deze vertegenwoordiging behoren, een verzoekschrift indienen, pleiten en alle mededelingen ontvangen betreffende de rechtsingang, de behandeling en de berechting van het geschil.

 

Onder betrokken partij moet worden verstaan, elke persoon of representatieve werknemersorganisatie, die in het kader van de procedure in het geding wordt betrokken(art. 79 welzijnswet).

 

B.  Toezicht

 

Onverminderd de bevoegdheden van de officieren van gerechtelijke politie, houden de door de Koning aangewezen ambtenaren toezicht op de naleving van deze wet en de uitvoeringsbesluiten ervan.

 

Deze ambtenaren oefenen dit toezicht uit overeenkomstig de bepalingen van de wet van 16 november 1972 betreffende de arbeidsinspectie (art. 80 welzijnswet).  Het gaat om[9]:

 

1° de ingenieurs, industrieel ingenieurs, technische ingenieurs, technici en technische controleurs van de Technische inspectie van de Administratie van de arbeidsveiligheid van het Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid;

 

2° de geneesheren en sociaal controleurs van de Medische inspectie van de Administratie van de arbeidshygiëne en -geneeskunde van het Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid;

 

3° de adviseurs en adjunct-adviseurs van de Medische inspectie van de Administratie van de arbeidshygiëne en -geneeskunde van het Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid, die houder zijn van het diploma van licentiaat in de wetenschappen of industrieel ingenieur zijn;

 

4° de mijningenieurs, ingenieurs, industrieel ingenieurs en afgevaardigden-werklieden bij het toezicht in de groeven en graverijen van de afdeling Veiligheid van het Bestuur Kwaliteit en Veiligheid van het Ministerie van Economische Zaken.

C.  Sancties

Het K.B. van 19 februari 2005 betreffende de bescherming van de werknemers tegen tabaksrook is strafrechtelijk afdwingbaar.  De werkgever, zijn  aangestelden of lasthebbers worden eventueel gestraft met correctionele gevangenisstraffen en/of geldboeten.  Terzake stelt artikel 81 van de welzijnswet:

“…….worden gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot één jaar en met geldboete van 50 tot 1 000 (EUR) of met één van die straffen alleen :

1° de werkgever, zijn lasthebbers of aangestelden, die de bepalingen van deze wet of van de uitvoeringsbesluiten ervan hebben overtreden…”.

De geldboete is verschuldigd voor elke betrokken werknemer.

Er is dus zowel een burgerlijke als een strafrechtelijke aansprakelijkheid voor de werkgever, die het rookverbod niet passend naleeft. 

VII.  Inwerkingtreding

Het rookverbod gaat in op 1 januari 2006; de andere bepalingen van het K.B. gelden vanaf 1 april 2005.  Dit laatste betekent dat de werkgever in die overgangsperiode het roken dient in te perken en de schadelijke gevolgen van omgevingstabaksrook uit te schakelen.



 

BESLUITEN

Met het K.B. van 19 februari 2005 is weer een belangrijke stap gezet in de strijd tegen de dodelijke tabak.  Het K.B. voert een rookverbod in.  Het bevestigt het recht van elke werknemer op een rookvrije plek, dat reeds verworven was op basis van de algemeen geldende beginselen van het arbeidsrecht, zoals het recht voor elke werknemer op een veilige en gezonde werkplaats.  Maar het is goed dat dit rookverbod nog eens uitdrukkelijk bij wijze van K.B. door de Minister van het Werk wordt onderlijnd.

Het rookverbod geldt ook voor derden, die de onderneming betreden.

Zoals gezegd is het rookverbod een bepaling van openbare orde, strafrechtelijk gesanctioneerd en ambtshalve in te roepen door de rechter.

Roken kan, maar moet niet worden toegestaan, in speciale rookkamers, afgezonderd en verlucht.

Over het rookverbod in maatschappelijke instellingen zal bijzonder dienen gewaakt.  In die instellingen mag enkel in “private vertrekken” worden gerookt en dan nog overeenkomstig wat de desbetreffende beheerders terzake beslissen.  Zieken, ouderlingen en gevangenen zijn “zwakke” partners, die node veel ondergaan.

Er blijft de spijtige uitzondering op de rookverbod voor de horeca, waar de halfslachtige geldende wetgeving trouwens niet gerespecteerd wordt.  Het gaat er evenwel enkel om die plaatsen, die voor het publiek openstaan; er is een rookverbod in andere plaatsen in horecazaken, zoals de keukens, opslagplaatsen, wasserij en dergelijke. 

Hopelijk komt er ook in ons land binnen afzienbare tijd, zoals in andere landen, een totaal rookverbod in de horeca.  In de horeca sterven nog 3 mensen per dag ten gevolge van passief roken.  Dit kan niet langer.

Het rookverbod geldt uitdrukkelijk vanaf 1 april 2006.

Het is duidelijk dat de overheid de ondernemingen niet met bijkomende kosten heeft willen opzadelen.  De werkgever is enkel verplicht een rookverbod in te voeren; hij is niet verplicht specifieke rookkamers te voorzien, noch sensibiliseringsprogramma’s op te zetten, noch programma’s voor rechtstreekse bijstand bij het stoppen van roken te ontwikkelen, alhoewel heel wat ondernemingen dit spontaan doen.

xxxxxxxxxxxxxxxxxxx

De strijd tegen de tabaksrook en de tabaksindustrie is nog niet ten einde.  Hij wordt echter ook wereldwijd en op Europees vlak gevoerd.  De actie, die heden in de EU wordt opgestart, is ongeveer driemaal groter dan de vorige Brusselse antirookcampagne. Ze kost 72 miljoen euro en gaat vier jaar duren, meldde Europees Commissaris Kyprianou (Volksgezondheid).

,,Roken is nummer één van de vermijdbare doodsoorzaken. Frusterend hoeveel schade dit nog steeds aanricht'', zei Kyprianou. De tabak leidt tot 650.000 doden in de EU per jaar. Hun ziekten en sterfgevallen kosten de landen van de Europese Unie jaarlijks 100 miljard euro.

De eurocommissaris pleit bij EU-landen ook voor een rookverbod in de horeca. Zo een ban bestaat nu al in Italië, Ierland en Malta. De tabaksproducenten kregen al eerder een verbod om in Europa nog reclame te maken of internationale evenementen te sponsoren.

Kyprianou erkende dat het tegenstrijdig is dat Brussel nog wel tabaksboeren subsidieert. Het steunbedrag is zelfs bijna twintig keer hoger dan het campagnegeld: 1 miljard euro. ,,Die subsidie wordt afgebouwd. Dat kan niet doorgaan'', zei Kyprianou.

De nieuwe campagne richt zich vooral op jongeren. Hoe jonger men immers begint sigaretten te roken, hoe moeilijker het wordt om te stoppen.

Waar de overheid evenwel machteloos blijft is het roken ten huize waardoor kinderen de tabaksrook van hun  ouders node ondergaan.  Even crimineel is het roken door zwangere vrouwen.  De gevolgen voor foetus en baby’s zijn  catastrofaal. Hier kan enkel voorlichting en overtuiging helpen.  We beginnen nog maar. 



 

BIJLAGE

 

 

19 JANUARI 2005. - Koninklijk besluit betreffende de bescherming van de werknemers tegen tabaksrook (B.S., 3 maart 2005)

 

VERSLAG AAN DE KONING

 

Het ontwerp van koninklijk besluit waarvan wij de eer hebben het ter ondertekening aan Zijne Majesteit voor te leggen, is een onderdeel van het federaal plan ter bestrijding van het tabaksgebruik.

 

In het verlengde van het recht op een rookvrij sociaal klimaat wil dit ontwerp de omgevingsrook in de werkruimten aanpakken. Het blijkt niet zo vanzelfsprekend te zijn om het recht op een rookvrije werkruimte in de praktijk af te dwingen.

 

De bepalingen van het Algemeen Reglement voor arbeidsbescherming (ARAB) laten in onvoldoende mate toe om een rookvrije werkruimte te garanderen.

 

Omwille van de algemene maatschappelijke evolutie op het vlak van roken en rekening houdend met de steeds strengere eisen ten opzichte van blootstelling aan tabaksrook op de arbeidsplaats vanuit kwaliteits-, veiligheids- en gezondheidsoverwegingen, hebben we het huidig hoffelijkheidsprincipe ten aanzien van het roken op het werk vervangen door een duidelijkere benadering, gericht op het niet roken.

 

Door dit besluit wordt het recht op een rookvrije werkruimte en sociale voorzieningen ingevoerd.

 

Om dit recht vorm en inhoud te geven wordt een rookverbod in de werkruimte ingevoerd.

 

Roken is enkel mogelijk in lokalen die geen werkruimten zijn en die daartoe op uitdrukkelijke wijze aangewezen zijn. De mogelijkheid van een rookkamer creëert geen recht op dergelijke plaatsen.

Roken in de rookkamer kan enkel toegestaan worden in overleg met het personeel.

 

Het rookverbod geldt niet voor werkzaamheden in open lucht.

 

Het rookverbod voorzien in dit ontwerp van koninklijk besluit geldt niet in horecazaken waar het roken voor het publiek is toegelaten. Het rookverbod geldt wel op alle andere plaatsen in horecazaken zoals de keukens, opslagplaatsen, wasserij en dergelijke.

 

Commentaar bij de artikelen :

 

Artikel 1. Dit artikel bepaalt het toepassingsgebied.

 

Art. 2. Punt 1 van dit artikel voorziet enkel in een uitzondering op een rookvrije werkruimte in de voor publiek bestemde gesloten plaatsen van horeca-inrichtingen waar het toegelaten is om te roken.

 

Punt 2 is een uitzondering op het rookverbod voor als private vetrekken te beschouwen gesloten plaatsen van instellingen van maatschappelijke dienstverlening zoals rusthuizen, rust- en verzorgingstehuizen, serviceflats, psychiatrische instellingen, instellingen voor personen met een handicap en voor bijzondere jeugdzorg en gevangenissen waar bewoners en niet-bewoners mogen roken onder bepaalde voorwaarden die zijn vastgelegd door deze instellingen en die specifiek voor hen bestemd zijn.

 

Het punt 3 voorziet een uitzondering voor de privé-woningen. Deze uitzondering geldt echter niet in de ruimten van deze woningen die exclusief bestemd zijn voor professioneel gebruik en waar een werkgever werknemers tewerkstelt, bijvoorbeeld een naaiatelier of een timmermanswerkplaats in een privé-woning.

Art. 3. Deze bepaling omschrijft de begrippen werkruimte, sociale voorzieningen en rookkamer.
De gesloten ruimte binnenin de onderneming omvat naast de werkplaatsen de inkomhal, gangen, trappen, liften, verbindingsruimten, gesloten parkeergarages.

Een open ruimte binnenin de onderneming is bijvoorbeeld de garage.

De werkruimte omvat ook de werkplaatsen buiten de onderneming, bijvoorbeeld werfketen, cabines van vrachtwagens, bestelwagens, dienstwagens.

De werkruimte in open lucht valt niet onder het rookverbod, bijvoorbeeld de binnenkoer.

 

Art. 4. Deze bepaling geeft de werknemer het recht om te beschikken over een werkruimte en sociale voorzieningen die vrij zijn van tabaksrook. De werknemer heeft het recht op tabaksrookvrije lucht waar hij tewerkgesteld is.

 

Art. 5. Hier wordt aangegeven op welke wijze de werkgever dit recht moet waarborgen.

Dit artikel omvat het rookverbod in de werkruimte en voorziet de mogelijkheid toe te laten dat er enkel mag gerookt worden in een rookkamer.

Een dergelijke toelating kan enkel gegeven worden na overleg met het personeel.

In dit verband wordt erop gewezen dat de mogelijkheid van een rookkamer geen recht op een rookkamer creëert.

Bovendien is het zo dat in ondernemingen waar er geen overleg wordt georganiseerd, het rookverbod onverkort geldt.

Het artikel voorziet ook dat het gemeenschappelijk vervoer van en naar het werk rookvrij is.

Art. 6. In punt 1 wordt bepaald dat de werkgever er moet voor zorgen dat alle personen, die in welke hoedanigheid ook, het bedrijf betreden, het recht van de werknemers op een rookvrije werkomgeving moeten respecteren.

 

Art. 7. De artikelen 4, 5 en 6 worden pas van kracht op 1 januari 2006, maar de werkgever heeft vóór 1 januari 2006 verplichtingen ter beperking van tabaksgebruik.

Hij wordt verplicht om een algemeen beleid te voeren met het doel tabaksgebruik te beperken in het kader van het dynamisch risicobeheersingsysteem. Daardoor is er overleg met het personeel los van het overleg over de plaatsen waar nog mag gerookt worden na 1 januari 2006. De werkgever is in navolging van dit besluit niet verplicht de kosten te dragen die stoppen met roken voor een werknemer meebrengt.

 

De werkgever is in navolging van dit besluit niet verplicht sensibiliserings- en informatieacties te organiseren, noch programma's voor rechtstreekse bijstand bij het stoppen van roken te ontwikkelen, noch informatie te verstrekken aan de werknemers over de gespecialiseerde instellingen op dit vlak.

 

Art. 8. Artikel 148decies 2. 2bis van het ARAB, dat roken betreft, wordt opgeheven omdat door dit besluit een nieuwe benadering ingevoerd wordt. Art. 9. Dit artikel geeft het besluit een plaats in de structuur van de Codex.

 

Art. 10. Dit besluit beoogt het vaststellen van twee afzonderlijke data van inwerkingtreding.

Volgens dit artikel wordt het besluit van kracht op de eerste dag van de maand na die waarin het koninklijk besluit in het Belgisch Staatsblad is bekend gemaakt.

 

Deze korte termijn geldt niet voor de artikelen 4, 5 en 6. Dit houdt in dat het rookverbod, de mogelijkheid van een rookkamer en de informatie hierover naar derden in werking treden op 1 januari 2006.

 

Op deze wijze hebben de werkgevers de tijd om maatregelen te nemen en hebben de werknemers de tijd om zich voor te bereiden op het rookverbod.

 

De Minister van Werk,

Mevr. F. VAN DEN BOSSCHE


19 JANUARI 2005. - Koninklijk besluit betreffende de bescherming van de werknemers tegen tabaksrook (1)

 

ALBERT II, Koning der Belgen,

 

Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

 

Gelet op de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk, inzonderheid op artikel 4, § 1, gewijzigd bij de wetten van 7 april 1999 en 11 juni 2002;

 

Gelet op het Algemeen reglement voor de arbeidsbescherming, goedgekeurd bij de besluiten van de Regent van 11 februari 1946 en 27 september 1947, inzonderheid op artikel 148decies 2. 2bis, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 31 maart 1993;

 

Gelet op het advies van de Hoge Raad voor Preventie en Bescherming op het Werk, gegeven op 27 februari 2004;

 

Gelet op advies 37.764/1 van de Raad van State, gegeven op 18 november 2004, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1° van de gecoördineerde wetten op de Raad van State;

 

Op de voordracht van Onze Minister van Werk,

 

Hebben Wij besloten en besluiten Wij :

 

Artikel 1. Dit besluit is van toepassing op de werkgevers en de werknemers en op de daarmee gelijkgestelde personen, bedoeld in artikel 2, § 1, 1°, a) tot d) en 2°, van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk.

Art. 2. Dit besluit is niet van toepassing op :

1° alle gesloten plaatsen waar voedingsmiddelen en/of dranken ter consumptie aangeboden worden en waar het toegelaten is te roken, met toepassing van de artikelen 2, § 2, en 3, § 1, van het koninklijk besluit van 15 mei 1990 tot het verbieden van het roken in bepaalde openbare plaatsen;

2° de als private vertrekken te beschouwen gesloten plaatsen van alle instellingen van maatschappelijke dienstverlening en van de gevangenissen, waar de bewoners en niet-bewoners mogen roken onder de voorwaarden die er voor hen zijn vastgelegd;

3° privé-woningen, behalve de ruimten die exclusief bestemd zijn voor professioneel gebruik en waar werknemers worden tewerkgesteld.

 

Art. 3. Voor de toepassing van dit besluit, wordt verstaan onder :

1° de wet : de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk;

2° werkruimte :

a) elke arbeidsplaats, ongeacht of deze zich binnen of buiten een onderneming of inrichting bevindt en ongeacht of deze zich in een gesloten of in een open ruimte bevindt, met uitzondering van de ruimte in open lucht;

b) en elke open of gesloten ruimte binnenin de onderneming of inrichting waar de werknemer toegang tot heeft;

3° sociale voorzieningen : de sanitaire voorzieningen, de refter en de lokalen bestemd voor rust of eerste hulp;

4° rookkamer : lokaal waar gerookt mag worden en dat uitsluitend daartoe bestemd is;

5° het Comité : het Comité voor preventie en bescherming op het werk of, bij ontstentenis hiervan, de syndicale afvaardiging of, bij ontstentenis hiervan, de werknemers zelf overeenkomstig de bepalingen van artikel 53 van de wet

 

Art. 4. Elke werknemer heeft het recht te beschikken over werkruimten en sociale voorzieningen, vrij van tabaksrook.

 

Art. 5. § 1. De werkgever verbiedt het roken in de werkruimten en de sociale voorzieningen, evenals in het vervoermiddel dat voor gemeenschappelijk vervoer van en naar het werk door hem ter beschikking wordt gesteld van het personeel.

§ 2. In afwijking van het verbod bedoeld in § 1, bestaat de mogelijkheid te voorzien in een rookkamer binnen de onderneming, na voorafgaand advies van het Comité.

Deze rookkamer wordt afdoende verlucht.

De regeling van de toegang tot deze kamer tijdens de werkuren wordt vastgelegd, na voorafgaand advies van het Comité.

Deze regeling mag geen ongelijke behandeling van de werknemers veroorzaken.

 

Art. 6. De werkgever neemt de nodige maatregelen teneinde erover te waken dat derden die zich in de onderneming bevinden, geïnformeerd worden omtrent de maatregelen die hij toepast overeenkomstig dit besluit.

 

Art. 7. § 1. Tot de datum van inwerkingtreding van de artikelen 4, 5 en 6 van dit besluit, voert de werkgever, in het kader van het dynamisch risicobeheersingsysteem, een algemeen beleid in om het gebruik van tabak in de werkruimten en de sociale voorzieningen in te perken.

§ 2. Het algemeen beleid bedoeld in § 1 :

1° legt de maatregelen alsook de toepassingsregels vast nodig om het tabaksgebruik in de werkruimten en de sociale voorzieningen in te perken en neemt, zo nodig, de bijkomende materiële maatregelen om hinder te wijten aan omgevingstabaksrook uit te schakelen;

2° wordt ter kennis gebracht van alle werknemers.

 

Art. 8. Art. 148decies 2. 2bis van het Algemeen reglement voor de arbeidsbescherming, goedgekeurd bij de besluiten van de Regent van 11 februari 1946 en 27 september 1947, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 31 maart 1993, wordt opgeheven.

 

Art. 9. De bepalingen van de artikelen 1 tot 7 vormen afdeling II van hoofdstuk I van titel III van de Codex over het welzijn op het werk met de volgende opschriften :

« Titel III. - Arbeidsplaatsen. »;

« Hoofdstuk I. - Basiseisen. »;

« Afdeling II. - Bescherming van de werknemers tegen tabaksrook ».

 

Art. 10. Dit besluit treedt in werking de eerste dag van de maand volgend op die gedurende welke het in het Belgisch Staatsblad is bekendgemaakt, met uitzondering van de artikelen 4, 5 en 6 die in werking treden op 1 januari 2006.

 

Art. 11. Onze Minister van Werk is belast met de uitvoering van dit besluit.

 

Gegeven te Brussel, 19 januari 2005.

ALBERT

 

Van Koningswege :

De Minister van Werk,

Mevr. F. VAN DEN BOSSCHE

_______Nota's
(1) Verwijzingen naar het Belgisch Staatsblad :

Wet van 4 augustus 1996, Belgisch Staatsblad van 18 september 1996.

Wet van 7 april 1999, Belgisch Staatsblad van 20 april 1999.

Wet van 11 juni 2002, Belgisch Staatsblad van 22 juni 2002.

Besluit van de Regent van 11 februari 1946, Belgisch Staatsblad van 3 en 4 april 1946.

Besluit van de Regent van 27 september 1947, Belgisch Staatsblad van 3 en 4 oktober 1947.

Koninklijk besluit van 31 maart 1993, Belgisch Staatsblad van 26 mei 1993.

 



[1] K.B. van 19 februari 2005 betreffende de bescherming van werknemers tegen tabaksrook, B.S., 2 maart 2005.

[2] Roger Blanpain, Roken op het werk, Kluwer, Mechelen, 2004, 27-31.

[3]Idem, 11-12.

[4] Verslag aan de Koning.

[5]Dit besluit is niet van toepassing op :1° alle gesloten plaatsen waar voedingsmiddelen en/of dranken ter consumptie aangeboden worden en waar het toegelaten is te roken, met toepassing van de artikelen 2, § 2, en 3, § 1, van het koninklijk besluit van 15 mei 1990 tot het verbieden van het roken in bepaalde openbare plaatsen”. Zie Roger Blanpain, o.c., 41-44.

[6] - Zie het K.B. van 27 maart 1998 (B.S., 31 maart 1998), herhaaldelijk gewijzigd.  Het dynamisch risicobeheersingsysteem is gesteund op de algemene preventiebeginselen…en heeft betrekking op de volgende domeinen:

1° de arbeidsveiligheid;

2° de bescherming van de gezondheid van de werknemer op het werk;

3° de psychosociale belasting veroorzaakt door het werk;

4° de ergonomie;

5° de arbeidshygiëne;

6° de verfraaiing van de arbeidsplaatsen;

7° de maatregelen van de onderneming inzake leefmilieu, wat betreft hun invloed op de punten 1° tot 6°.

8° de bescherming van de werknemers tegen geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag op het werk.

Dit systeem houdt rekening met de wisselwerking die er tussen de in het tweede lid bedoelde domeinen bestaat of kan bestaan (art. 4).

Het dynamisch risicobeheersingsysteem heeft tot doel de planning van de preventie en de uitvoering van het beleid met betrekking tot het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk mogelijk te maken.

Om dit doel te verwezenlijken bestaat het systeem steeds uit de volgende elementen:

1° de uitwerking van het beleid waarbij de werkgever inzonderheid de doelstellingen bepaalt evenals de middelen om deze doelstellingen te realiseren;

2° de programmatie van het beleid waarbij inzonderheid de toe te passen methodes en de opdrachten, verplichtingen en middelen van alle betrokken personen worden bepaald;

3° de uitvoering van het beleid waarbij inzonderheid de verantwoordelijkheden van alle betrokken personen worden bepaald;

4° de evaluatie van het beleid waarbij inzonderheid de criteria worden vastgesteld om het beleid te evalueren.

De werkgever past dit systeem aan telkens dit noodzakelijk is ingevolge gewijzigde omstandigheden (art. 5). 

[7] Zie Roger Blanpain, o.c., 68 en vlg.

[8]of, bij ontstentenis hiervan, de syndicale afvaardiging of, bij ontstentenis hiervan, de werknemers zelf overeenkomstig de bepalingen van artikel 53 van de welzijnswet. Artikel 53 luidt alsvolgt: “In de ondernemingen waar noch een Comité, noch een vakbondsafvaardiging bestaat, nemen de werknemers zelf rechtstreeks deel aan de behandeling van vraagstukken die betrekking hebben op het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk.  De Koning bepaalt, bij een in Ministerraad overlegd besluit, op welke wijze deze deelneming gebeurt”. 

[9] Koninklijk besluit van 28 augustus 2002 tot aanwijzing van de ambtenaren belast met het toezicht op de naleving van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk en de uitvoeringsbesluiten ervan (B.S. 18.9.2002).