11 JUNI
2002. - Wet betreffende de bescherming tegen geweld, pesterijen en ongewenst
seksueel gedrag op het werk.
Bron : TEWERKSTELLING EN ARBEID
Publicatie : 22-06-2002
Inwerkingtreding : 01-07-2002
Dossiernummer : 2002-06-11/31
Inhoudstafel
HOOFDSTUK
I. - Algemene bepaling.
Art. 1
HOOFDSTUK
II. - Wijziging van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van
de werknemers bij de uitvoering van hun werk.
Art. 2-8
HOOFDSTUK
III. - Wijziging van de wet van 8 april 1965 tot instelling van de
arbeidsreglementen.
Art. 9
HOOFDSTUK
IV. - Slotbepalingen.
Art. 10-11
Tekst
HOOFDSTUK
I. - Algemene bepaling.
Artikel 1.
Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.
HOOFDSTUK
II. - Wijziging van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van
de werknemers bij de uitvoering van hun werk.
Art.
2.
Artikel 2, § 4, van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de
werknemers bij de uitvoering van hun werk wordt vervangen als volgt :
" § 4. Deze wet is niet van toepassing op de dienstboden en
het andere huispersoneel en hun werkgevers met uitzondering van de afdelingen 1
en 3 van Hoofdstuk Vbis . "
Art.
3.
Artikel 4, § 1, tweede lid, van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 7 april
1999, wordt aangevuld als volgt :
" 8° de bescherming van de werknemers tegen geweld, pesterijen
en ongewenst seksueel gedrag op het werk. "
Art.
4.
Artikel 6, tweede lid, van dezelfde wet, wordt aangevuld als volgt :
" 7° op positieve wijze bijdragen tot het preventiebeleid dat
wordt tot stand gebracht in het kader van de bescherming van de werknemers tegen
geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag op het werk, zich onthouden van
iedere daad van geweld, pesterijen of ongewenst seksueel gedrag op het werk en
zich onthouden van elk wederrechtelijk gebruik van de klachtenprocedure. "
Art.
5.
In dezelfde wet wordt een hoofdstuk Vbis ingevoegd, luidende :
"
HOOFDSTUK Vbis . - Bijzondere bepalingen betreffende geweld,
pesterijen en ongewenst seksueel gedrag op het werk
Afdeling 1. - Algemene bepaling en definitie
Art. 32bis. De werkgevers en de werknemers alsmede de daarmee
gelijkgestelde personen bedoeld in artikel 2, § 1 en de andere dan de bij
artikel 2, § 1 bedoelde personen die in contact komen met de werknemers bij de
uitvoering van hun werk, zijn ertoe gehouden zich te onthouden van iedere daad
van geweld, pesterijen of van ongewenst seksueel gedrag op het werk.
Art. 32ter. Voor de toepassing van deze wet wordt verstaan onder :
1° geweld op het werk : elke feitelijkheid waarbij een werknemer of
een andere persoon waarop dit hoofdstuk van toepassing is, psychisch of fysiek
wordt lastiggevallen, bedreigd of aangevallen bij de uitvoering van het werk;
2° pesterijen op het werk : elk onrechtmatig en terugkerend gedrag,
buiten of binnen de onderneming of instelling, dat zich inzonderheid kan uiten
in gedragingen, woorden, bedreigingen, handelingen, gebaren, en eenzijdige
geschriften en dat tot doel of gevolg heeft dat de persoonlijkheid, de
waardigheid of de fysieke of psychische integriteit van een werknemer of een
andere persoon waarop dit hoofdstuk van toepassing is bij de uitvoering van het
werk wordt aangetast, dat zijn betrekking in gevaar wordt gebracht of dat een
bedreigende, vijandige, beledigende, vernederende of kwetsende omgeving wordt
gecreëerd;
3° ongewenst seksueel gedrag op het werk : elke vorm van verbaal,
niet-verbaal of lichamelijk gedrag van seksuele aard waarvan degene die zich er
schuldig aan maakt, weet of zou moeten weten dat het afbreuk doet aan de
waardigheid van vrouwen en mannen of het werk.
Alle functiebenamingen die gebruikt worden in dit hoofdstuk, zoals
die van preventieadviseur of vertrouwenspersoon hebben zowel op vrouwen als op
mannen betrekking.
Afdeling 2. - Preventiemaatregelen.
Art. 32quater. § 1. De werkgever bepaalt de maatregelen die
getroffen moeten worden om de werknemers te beschermen tegen geweld, pesterijen
en ongewenst seksueel gedrag op het werk.
Deze maatregelen, die aangepast dienen te zijn aan de aard van de
activiteiten en de grootte van de onderneming, handelen ten minste over :
1° de materiële inrichting van de arbeidsplaatsen opdat geweld,
pesterijen en ongewenst seksueel gedrag op het werk zouden voorkomen
worden;
2° de bepaling van de middelen waarover de slachtoffers beschikken
om hulp te krijgen en de wijze om zich tot de preventieadviseur en de
vertrouwenspersoon, aangewezen voor de feiten van geweld, pesterijen en
ongewenst seksueel gedrag, op het werk, te richten;
3° het snelle en volledig onpartijdige onderzoek van de feiten van
geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag op het werk;
4° het onthaal van, de hulp aan en de vereiste ondersteuning van de
slachtoffers;
5° de maatregelen van opvang en van wedertewerkstelling van de
slachtoffers;
6° de verplichtingen van de hiërarchische lijn in de voorkoming
van feiten van geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag op het werk;
7° de voorlichting en de opleiding van de werknemers;
8° de voorlichting van het comité.
Deze maatregelen worden aan het comité voorgelegd voor voorafgaand
akkoord.
§ 2. De Koning kan de voorwaarden en de nadere regels voor de
toepassing van dit artikel vaststellen. Hij kan bovendien bijzondere maatregelen
treffen om rekening te houden met specifieke of nieuwe risicosituaties of om
rekening te houden met de specifieke toestand van de werknemer.
Voor de werkgevers op wie de wet van 5 december 1968 betreffende de
collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités van toepassing is,
kunnen de in het eerste lid bedoelde voorwaarden, nadere regels en bijzondere
maatregelen nochtans worden vastgesteld bij een in de Nationale Arbeidsraad
gesloten collectieve arbeidsovereenkomst die algemeen verbindend is verklaard
bij koninklijk besluit.
Art. 32quinquies. § 1. De werkgever waakt erover dat de werknemers
die het slachtoffer zijn van een daad van geweld, pesterijen of ongewenst
seksueel gedrag op het werk, een passende psychologische ondersteuning krijgen
van gespecialiseerde diensten of instellingen.
§ 2. De Koning kan de voorwaarden en de nadere regels voor de
toepassing van dit artikel vaststellen. Hij kan, bovendien, bijzondere
maatregelen treffen om rekening te houden met specifieke of nieuwe
risicosituaties of om rekening te houden met de specifieke toestand van de
werknemer.
Voor de werkgevers op wie de wet van 5 december 1968 betreffende de
collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités van toepassing is,
kunnen de in het eerste lid bedoelde voorwaarden, nadere regels en bijzondere
maatregelen nochtans worden vastgesteld bij een in de Nationale Arbeidsraad
gesloten collectieve arbeidsovereenkomst die algemeen verbindend is verklaard
bij koninklijk besluit.
Art. 32sexies. § 1. De werkgever wijst, na het voorafgaand akkoord
van alle leden-vertegenwoordigers van de personeelsleden binnen het comité :
1° een preventieadviseur aan die gespecialiseerd is in de
psycho-sociale aspecten van het werk en van geweld, pesterijen en ongewenst
seksueel gedrag op het werk;
2° in voorkomend geval, de vertrouwenspersonen aan die deze
preventieadviseur bijstaan.
De preventieadviseur bedoeld in het eerste lid, 1° maakt deel uit
van de interne dienst voor preventie en bescherming op het werk van de
onderneming of instelling of van een externe dienst voor preventie en
bescherming op het werk. Hij mag geen preventieadviseur zijn die bevoegd is voor
de uitoefening van de arbeidsgeneeskunde.
§ 2. Indien het in § 1, eerste lid, bedoelde akkoord niet wordt
bereikt of wanneer de werkgever minder dan vijftig werknemers tewerkstelt, doet
hij een beroep op een preventieadviseur van een externe dienst voor preventie en
bescherming op het werk, die gespecialiseerd is inzake de psycho-sociale
aspecten van het werk en van het geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag
op het werk.
§ 3. Indien er geen akkoord wordt bereikt over de
vertrouwenspersonen die de preventieadviseur bijstaan, vraagt de werkgever het
advies van de met het toezicht belaste ambtenaar bedoeld in artikel 80.
Deze ambtenaar hoort de betrokken partijen en poogt de standpunten
met elkaar te verzoenen. Indien geen verzoening wordt bereikt, verstrekt deze
ambtenaar een advies waarvan per aangetekend schrijven kennis wordt gegeven aan
de werkgever. De werkgever stelt het comité in kennis van het advies van deze
ambtenaar binnen een termijn van dertig dagen vanaf de kennisgeving ervan,
vooraleer hij de beslissing over de aanwijzing neemt. Indien hij het advies van
deze ambtenaar niet volgt, deelt hij eveneens de redenen hiervoor mee aan het
comité.
§ 4. De Koning bepaalt de opdrachten en taken van de
preventieadviseur en van de vertrouwenspersonen die deze bijstaan, alsmede de
opleiding die nodig is voor de goede uitvoering van hun opdracht.
Art. 32septies. Wanneer feiten van geweld, pesterijen of ongewenst
seksueel gedrag op het werk ter kennis worden gebracht van de werkgever, moet
hij de geschikte maatregelen nemen overeenkomstig dit hoofdstuk. Indien de
feiten van geweld, pesterijen of ongewenst seksueel gedrag op het werk doorgaan
na de inwerkingtreding van de maatregelen of indien de werkgever nalaat de
nodige maatregelen te treffen, wendt de preventieadviseur zich, in overleg met
het slachtoffer, tot de ambtenaren belast met het toezicht op deze wet.
Art. 32octies. De maatregelen bedoeld in deze afdeling moeten worden
opgenomen in het arbeidsreglement.
Daarnaast kan de werkgever de vastgestelde maatregelen met
bijkomende communicatiemiddelen ter kennis brengen van de werknemers.
De werkgevers op wie de wet van 5 december 1968 betreffende de
collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités van toepassing is,
kunnen de communicatiemiddelen bedoeld in het tweede lid bepalen in een in de
Nationale Arbeidsraad gesloten collectieve arbeidsovereenkomst die algemeen
verbindend is verklaard bij koninklijk besluit.
Afdeling 3. - Des bescherming van de werknemers tegen geweld,
pesterijen en ongewenst seksueel gedrag op het werk.
Art. 32nonies. De werknemer die meent het slachtoffer te zijn van
feiten van geweld, pesterijen of ongewenst seksueel gedrag op het werk kan zich
ofwel richten tot de preventieadviseur of de vertrouwenspersonen die hem
bijstaan ofwel tot de met het toezicht belaste ambtenaren bedoeld in artikel 80
en, in voorkomend geval, bij die personen een met redenen omklede klacht
indienen volgens de voorwaarden en de nadere regels vastgesteld met toepassing
van artikel 32quater, § 2.
Art. 32decies. Al wie een belang kan aantonen kan voor het bevoegde
rechtscollege een vordering instellen om de naleving van de bepalingen van dit
hoofdstuk af te dwingen.
Onverminderd de mogelijkheid tot toekenning van een
schadevergoeding, kan het bevoegde rechtscollege het bevel opleggen aan diegene
die zich schuldig maakt aan geweld, pesterijen of ongewenst seksueel gedrag op
het werk, alsmede aan de werkgever om hieraan, binnen een door hem vastgestelde
termijn, een einde te maken.
Art. 32undecies. Wanneer een persoon die een belang kan aantonen
voor het bevoegde rechtscollege feiten aanvoert die het bestaan van geweld,
pesterijen of ongewenst seksueel gedrag op het werk kunnen doen vermoeden, valt
de bewijslast dat er zich geen geweld, pesterijen of ongewenst seksueel gedrag
op het werk hebben voorgedaan ten laste van de verweerder.
Het eerste lid is niet van toepassing of de strafrechtspleging en
doet geen afbreuk aan andere gunstigere wetsbepalingen inzake bewijslast.
Art. 32duodecies. Ter verdediging van de rechten van de personen op
wie dit hoofdstuk van toepassing is, kunnen in alle geschillen waartoe de
toepassing van dit hoofdstuk aanleiding zou kunnen geven, in rechte optreden :
1° de representatieve werknemers- en werkgeversorganisaties, zoals
die bij artikel 3 van de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve
arbeidsovereenkomsten en paritaire comités zijn bepaald;
2° de representatieve vakorganisaties in de zin van artikel 7 van
de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid
en de vakbonden van haar personeel;
3° de representatieve vakorganisaties in het aangewezen orgaan van
vakbondsoverleg voor de administraties, diensten en instellingen waarop de wet
van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de
vakbonden van haar personeel niet van toepassing is;
4° de instellingen van openbaar nut en verenigingen zonder
winstoogmerk bedoeld bij de wet van 27 juni 1921 waarbij aan de verenigingen
zonder winstgevend doel en aan de instellingen van openbaar nut
rechtspersoonlijkheid wordt verleend, met ten minste drie jaar
rechtspersoonlijkheid op de dag waarop de vordering wordt ingesteld, wanneer
door de feiten van geweld, pesterijen of ongewenst seksueel gedrag afbreuk is
gedaan aan hetgeen zij statutair nastreven.
De bevoegdheid van de in het eerste lid bedoelde organisaties doet
geen afbreuk aan het recht van het slachtoffer om zelf op te treden of in het
geding tussen te komen. Indien het slachtoffer gebruik maakt van dit recht,
kunnen de in het eerste lid bedoelde organisaties hun bevoegdheid enkel
uitoefenen mits akkoord van het slachtoffer.
De in het eerste lid, 4°, bedoelde organisaties kunnen hun
bevoegdheid evenwel enkel uitoefenen mits het slachtoffer ermee akkoord gaat.
Art. 32tredecies. § 1. De werkgever die een werknemer tewerkstelt
die, hetzij op het vlak van de onderneming of van de instelling die hem
tewerkstelt, overeenkomstig de vigerende procedures, hetzij bij de met het
toezicht belaste ambtenaren, een met redenen omklede klacht heeft ingediend of
voor wie deze ambtenaren zijn opgetreden, of die een rechtsvordering instelt op
grond van dit hoofdstuk, mag de arbeidsverhouding niet beëindigen, noch de
arbeidsvoorwaarden eenzijdig wijzigen, behalve om redenen die vreemd zijn aan
die klacht of aan die rechtsvordering.
§ 2. De bewijslast van de in § 1 bedoelde redenen berust bij de
werkgever, wanneer de werknemer wordt ontslagen of de arbeidsvoorwaarden
eenzijdig worden gewijzigd binnen twaalf maanden volgend op het indienen van de
klacht of het afleggen van de getuigenverklaring. Deze bewijslast berust
eveneens bij de werkgever in geval van ontslag of eenzijdige wijziging van de
arbeidsvoorwaarden nadat een rechtsvordering werd ingesteld, en dit tot drie
maanden na het in kracht van gewijsde gaan van het vonnis.
§ 3. Wanneer de werkgever de arbeidsverhouding beëindigt of de
arbeidsvoorwaarden eenzijdig wijzigt in strijd met de bepalingen van § 1, kan
de werknemer, of de werknemersorganisatie waarbij hij is aangesloten, verzoeken
hem opnieuw in de onderneming of de instelling op te nemen onder de voorwaarden
die bestonden voor de feiten die tot de klacht aanleiding hebben gegeven.
Het verzoek moet met een aangetekende brief gebeuren binnen dertig
dagen volgend op de datum van de kennisgeving van de opzegging, van de beëindiging
zonder opzegging of van de eenzijdige wijziging van de arbeidsvoorwaarden. De
werkgever moet zich binnen dertig dagen volgend op de kennisgeving van de brief
over het verzoek uitspreken.
De werkgever die de werknemer opnieuw in de onderneming of de
instelling opneemt of hem zijn functie onder de voorwaarden die bestonden voor
de feiten die tot de klacht aanleiding hebben gegeven laat uitoefenen, moet het
wegens ontslag of wijziging van de arbeidsvoorwaarden gederfde loon betalen
alsmede de werkgevers- en werknemersbijdragen op dat loon storten.
§ 4. Wanneer de werknemer na het in § 3, eerste lid bedoelde
verzoek niet opnieuw wordt opgenomen of zijn functie niet onder de voorwaarden
die bestonden voor de feiten die tot de klacht aanleiding hebben gegeven kan
uitoefenen en de rechter geoordeeld heeft dat het ontslag of de eenzijdige
wijziging van de arbeidsvoorwaarden indruist tegen de bepalingen van § 1, moet
de werkgever aan de werknemer een vergoeding betalen die, naar keuze van de
werknemer, gelijk is hetzij aan een forfaitair bedrag dat overeenstemt met het
brutoloon voor zes maanden, hetzij aan de werkelijk door de werknemer geleden
schade; in laatstgenoemd geval moet de werknemer de omvang van de geleden schade
bewijzen.
§ 5. De werkgever is verplicht dezelfde vergoeding uit te betalen,
zonder dat de werknemer het in § 3, eerste lid bedoelde verzoek moet indienen
om opnieuw te worden opgenomen op zijn functie onder de voorwaarden die
bestonden voor de feiten die tot de klacht aanleiding hebben gegeven te kunnen
uitoefenen :
1° wanneer het bevoegde rechtscollege de feiten van geweld,
pesterijen of ongewenst seksueel gedrag op het werk bewezen acht;
2° wanneer de werknemer de arbeidsovereenkomst verbreekt, omdat het
gedrag van de werkgever in strijd is met de bepalingen van § 1, en in hoofde
van de werknemer een reden is om de arbeidsovereenkomst zonder opzegging of voor
het verstrijken van de termijn te verbreken;
3° wanneer de werkgever de werknemer heeft ontslagen om een
dringende reden, op voorwaarde dat het bevoegde rechtscollege dit ontslag
ongegrond verklaart en in strijd met de bepalingen van § 1.
§ 6. Wanneer een procedure op grond van een met redenen omklede
klacht werd aangevat op het niveau van de onderneming of de instelling stelt de
preventieadviseur de werkgever onmiddellijk op de hoogte van het feit dat de
werknemer de bescherming bedoeld bij dit artikel geniet.
§ 7. De in dit artikel bedoelde bescherming is eveneens van
toepassing op de werknemers die optreden als getuige in geschillen waartoe dit
hoofdstuk aanleiding zou kunnen geven.
"
Art.
6.
In dezelfde wet wordt een artikel 88bis ingevoegd, luidende :
" Art. 88bis . Onverminderd het bepaalde in de artikelen 269
tot 272 van het Strafwetboek worden gestraft met een gevangenisstraf van acht
dagen tot een maand en met een geldboete van 26 tot 500 EUR of met één van die
straffen alleen de personen die binnen de door het bevoegde rechtscollege
krachtens artikel 32decies , vastgestelde termijn geen einde hebben gemaakt aan
het geweld, pesterijen of ongewenst seksueel gedrag op het werk. "
Art.
7.
In de artikelen 81 tot 89 van dezelfde wet wordt het woord " frank "
vervangen door het woord " EUR ".
Art.
8.
De griffier van de arbeidsrechtbank of van het arbeidshof brengt de Medische
Inspectie van het Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid in kennis van de
beslissingen die werden genomen krachtens artikel 578, 11°, van het
Gerechtelijk Wetboek.
HOOFDSTUK
III. - Wijziging van de wet van 8 april 1965 tot instelling van de
arbeidsreglementen.
Art.
9.
Artikel 14, 2°, van de wet van 8 april 1965 tot instelling van de
arbeidsreglementen, gewijzigd bij de wet van 12 augustus 2000, wordt aangevuld
als volgt :
" s) de maatregelen getroffen om de werknemers te beschermen
tegen geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag op het werk in de zin van
Hoofdstuk Vbis van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de
werknemers bij de uitvoering van hun werk. "
HOOFDSTUK
IV. - Slotbepalingen.
Art.
10.
Binnen een termijn van twee jaar, te rekenen van de inwerkingtreding van deze
wet, worden deze bepalingen onderworpen aan een evaluatie. Die evaluatie wordt
toevertrouwd aan het Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid, dat terzake
handelt in samenwerking met het Ministerie van Justitie en met de Nationale
Arbeidsraad.
Art.
11. Deze wet treedt in werking op de eerste dag van de eerste maand na die
waarin ze is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.
Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden
bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
Gegeven te Brussel, 11 juni 2002.
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Werkgelegenheid,
Mevr. L. ONKELINX
Met 's Lands zegel gezegeld :
De Minister van Justitie,
M. VERWILGHEN.
Aanhef
ALBERT
II, Koning der Belgen,
Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
De Kamers hebben aangenomen en Wij bekrachtigen hetgeen volgt
:
Parlementaire
werkzaamheden
Gewone
zitting 2001-2002. Kamer van volksvertegenwoordigers. Parlementaire stukken. -
Wetsontwerp, nr. 1583/001. - Advies nr. 44 van 22 mei 2001 van de Vaste
commissie arbeid van de Raad voor de gelijke kansen van mannen en vrouwen, nr.
1583/002. - Erratum, nr. 1583/03. - Amendementen, nr. 1583/004. - Verslag, nr.
1583/005. - Tekst aangenomen door de Commissie voor de sociale zaken, nr.
1583/006. - Gecoördineerde tekst, nr. 1583/007. - Tekst aangenomen in plenaire
vergadering en overgezonden aan de Senaat, nr. 1583/008. Handelingen van de
Kamer. - nr. 211 van 28 februari 2002. Senaat. Parlementaire stukken . - Ontwerp
geëvoceerd door de Senaat, nr. 2-1063/1. - Amendementen, nr. 2-1063/2. -
Verslag, nr. 2-1063/3. - Tekst verbeterd door de Commissie, nr. 2-1063/4. -
Amendementen, nr. 2-1063/5. - Beslissing om niet te amenderen, nr. 2-1063/6.
Handelingen van de Senaat. - nr. 2-205 van 23 mei 2002.